De HEEMRAADSSINGEL TIJDENS De Tweede Wereldoorlog

 

Hans Flier

 

 

1. Vijf oorlogsdagen in mei 1940

 

10 mei 1940

 

De opmars naar Rotterdam vormde het zwaartepunt van de Duitse aanval op Nederland. Het Duitse leger wilde de bruggen over het Hollands Diep (bij Moerdijk), de oude Maas (bij Dordrecht) en de Nieuwe Maas (in Rotterdam) ongeschonden in handen krijgen om zo de door de Nieuwe Hollandse Waterlinie beschermde 'Vesting Holland' binnen te dringen[1]. Luchtlandingstroepen moesten deze bruggen in bezit nemen tot de komst van de via Brabant oprukkende 9e Pantserdivisie. In Rotterdam landden deze troepen bij de Willemsbrug (met watervliegtuigen) en bij het vliegveld Waalhaven en het stadion Feijenoord. Hierdoor kwam Rotterdam direct bij het uitbreken van de oorlog in de vroege ochtend van 10 mei 1940 in de frontlinie te liggen.

Veel inwoners van Rotterdam worden die ochtend gewekt door overkomende vliegtuigen. De gedachte aan oorlog stuit aanvankelijk veelal op ongeloof, maar als duidelijk wordt dat er luchtgevechten plaatsvinden wordt deze conclusie onontkoombaar. 'Oorlog' is aanvankelijk een abstract begrip, waar de meeste Rotterdammers nog geen concrete voorstelling van hebben. Sommigen willen de oorlog wel eens van dichtbij bekijken en gaan daarom richting front, zonder zich te realiseren hoe gevaarlijk de situatie daar is.

 

Ben Laurens[2]: “In gezelschap van een vriendje dwaalde Emil Fischer in de loop van de morgen van 10 mei over de Heemraadssingel. Daar zag hij een afdeling Nederlandse militairen voorbijkomen met een stuk geschut. Wegens gebrek aan tractie hadden de militairen zichzelf voor 'de artillerie' gespannen. Bijna als vanzelfsprekend liepen de jongens met de mannen mee. Met het doel de Duitsers op het Noordereiland te beschieten, brachten de militairen de vuurmond naar het eindpunt van lijn 14 op het Willemsplein in stelling. Elke keer als het kanon was geladen stak de bevelvoerend officier zijn sabel omhoog en commandeerde 'vuur', waarna een daverende detonatie volgde. Emil en zijn vriendje stonden erbij en volgden geïnteresseerd de operatie.”

 

Er wordt die dag zo veel mogelijk normaal gewerkt. 's Avonds en 's nachts geld een uitgaansverbod en bovendien moeten de ramen met dikke gordijnen of zwart papier worden verduisterd. Buitenshuis minimale straatverlichting en verlichting van auto's en fietsen. In 1938 was er reeds met verduisteringsoefeningen begonnen om de bevolking hiermee verstouwd te maken. De eerste oefening op 12 oktober 1938 was een succes geweest, behalve op de Heemraadssingel, waar het GEB er niet in slaagde om de straatverlichting uit te zetten[3]. Om ongelukken in het donker te voorkomen zijn de bomen aan de Heemraadssingel, evenals elders, al enige tijd rondom van drie witte strepen voorzien. Ook zijn er langs de singel en op het Heemraadsplein tijdens de mobilisatieperiode verschillende overdekte schuilloopgraven aangelegd, waarvan Rotterdam er in mei 1940 in het totaal circa 250 telt. Deze betonnen schuilgelegenheden beschermen niet tegen een voltreffer maar wel tegen de scherfwerking van brisantbommen en tegen neervallend puin en brand.

Deze eerste oorlogsnacht wordt er veelal slecht geslapen. Aan de Heemraadssingel zijn de schotenwisselingen langs de Maas hoorbaar als een lugubere achtergrondmuziek.

 

11 mei 1940

 

Onjuiste geruchten dat NSB-ers en Duitse burgers vanuit woningen op Nederlandse soldaten schoten leiden tot grote nervositeit onder deze militairen. Veel schietpartijen op vermeende leden van deze vijfde colonne zijn hiervan het gevolg. Op zaterdagochtend 11 mei krijgt H. de Goede, die werkzaam is bij de Incassobank N.V., opdracht om geld te gaan halen bij het in het oorlogsgebied gelegen hoofdkantoor aan de Leuvehaven 103 ten behoeve van het bijkantoor dat aan de Heemraadssingel 169 is gevestigd. Over wat er later die dag gebeurt schrijft hij op 18 mei aan een familielid[4]:

 

Toen ik 's middags over den Heemraadssingel fietste, begonnen plotseling soldaten, die langs het water in het gras, lagen te vuren. Het bleek gemunt op een paar lieden, die aan de overzijde op een dak waren. Ik ben toen veiligheidshalve maar via een zijstraat verder gefietst. Op grote schaal werden in de stad verdachte fascisten of Duitsers gearresteerd. Autobussen vol zag je voorbij gaan.”

 

Kees de Jong[5]: “Voor onze woning aan de Heemraadssingel 155 was onder de bomen langs de singel een kampement voor Nederlandse militairen ingericht. Mogelijk ging het om een motortransporteenheid, want er waren veel voertuigen bij. Het kampement nam zowat het hele ruiterpad van Beukelsdijk tot Vierambachtstraat in beslag. Ook zijn er loopgraven gegraven in het talud langs de singel (oneven zijde) vanaf het begin van de Graaf Florisstraat tot aan Vierambachtstraat. Ik herinner mij dat er plotseling schoten te horen waren. Aangenomen werd dat de schutters lagen op het dak van  één van de huizen waar de Heemraadssingel overgaat in de Graaf Florisstraat, maar ik weet vrijwel zeker dat er niemand gevonden werd.”

 

Direct na de Duitse luchtlandingen op 10 mei, begint de politie met het interneren van 'gevaarlijke NSB-ers en vreemdelingen'. Tot de circa 800 personen die in die dagen worden geïnterneerd behoort de sinds 1922 in Rotterdam gevestigde koopman Max Heidt, woonachtig aan de Heemraadssingel 30b, en Hermann Wetzler, kapelmeester van Theater Arena aan de Kruiskade, die op Heemraadssingel 36a woont.

 

12 mei 1940

 

In de nacht van zaterdag 11 op zondag 12 mei - eerste Pinksterdag - worden de bewoners van dit stadsdeel rond 12 uur opgeschrikt door een geweldige klap. Een vliegtuig heeft bommen afgeworpen boven de Heemraadssingel. Er breekt brand uit die echter in korte tijd kan worden geblust.

De huizen Heemraadssingel 254, 256 en 275 zijn geheel verwoest, evenals de panden Schietbaanlaan 116 en 118. Andere panden aan Schietbaanlaan en Schonebergerweg zijn gedeeltelijk vernield[6]. Er zijn veertig doden, de meesten in hun slaap verrast[7]. Tientallen geredden vinden onderdak in de remise op de Nieuwe Binnenweg (op de hoek met het Heemraadsplein), waar hulp wordt verleend. Ook de bewoners van dichtbij gelegen panden, waar bijna alle ruiten zijn gesprongen, vinden hier onderdak. Bij het luchtalarm vluchten daarnaast vele omwonenden de remise in. Door de tramwagens zodanig op te stellen, dat de toegangen naar alle werkputten bereikbaar zijn, kunnen grotere groepen personen enige dekking vinden onder de tramrijtuigen[8].

 

De geruïneerde woningen, de eersten buiten het eigenlijke oorlogsgebied, maken op de inwoners van Rotterdam West veel indruk. Naar de achtergrond van de luchtaanval kan slechts worden gegist. Buurtgenoten dachten destijds dat scholen waarin Nederlandse militairen gelegerd waren het doelwit van deze Duitse aanval vormden[9]. Dit waren in deze omgeving de enige objecten met militaire betekenis. Toch is deze verklaring niet erg plausibel.

F.J. van Zonneveld oppert de mogelijkheid dat de piloot de Coolhaven heeft aangezien voor de Schiehaven en dat de Marinierskazere en omgeving het doelwit vormden. Maar was het eigenlijk wel een Duitse aanval? K. Mallan[10] stelt dat gedurende de vijf oorlogsdagen door de Luftwaffe boven Nederland in het geheel geen nachtelijke aanvallen zijn uitgevoerd. Bij de Britse RAF lag dat anders. Op 10 mei verloor de RAF bij de eerste aanval op Duitse troepen bij het vliegveld Waalhaven 5 van de 6 ingezette toestellen. Vanaf dat moment zijn door de RAF in deze omgeving alleen nog nachtaanvallen uitgevoerd. In de nacht van 10 op 11 mei werden daarbij bijvoorbeeld per ongeluk panden tussen de Blaak en de Wijnhaven getroffen, welke aanval jarenlang ten onrechte aan de Duitsers is toegeschreven. De mogelijkheid dat dit ook geld voor de aanval die een nacht later in de omgeving van de Heemraadssingel plaatsvond, mag dus zeker niet worden uitgesloten.

 

13 mei 1940

 

Op de noordelijke oever hebben de Duitsers een bruggenhoofd gevestigd, dat geleidelijk word uitgebreid tot enige honderden meters vanaf het uiteinde van de Willemsbrug. Doeke Zijlstra, die directeur is van de uitgeverij Nijgh & Van Ditmar  en woont aan de Heemraadssingel 62a, heeft zijn kantoor aan de Wijnhaven. Hij wordt in de buurt van zijn kantoor door een kogel dodelijk getroffen. De achttienjarige Alfred Kossmann, die als voluntair bij Nijgh & Van Ditmar werkt, herinnert zich: ‘De directeur Doeke Zijlstra werd doodgeschoten toen hij geld voor het personeel ging halen’. Gerard Walschap hoort op 30 mei van Maurice Roelants ‘het nieuws dat Doeke Zijlstra, mijn uitgever, op 13 mei doodgeschoten werd met een mitrailleuse van uit een venster op het Beursplein’[11].

 

14 mei 1940

 

Op dinsdag 14 mei gaan veel Rotterdammers ondanks de oorlogssituatie gewoon aan het werk. De Goede:

 

“Ik was voor achten op ons bijkantoor; de afspraak was op de Leuvehaven de belangrijkste delen der administratie in veiligheid te brengen in de grote kluis en nog meer kasgeld te gaan halen voor de Heemraadssingel. De berichten door de radio waren zeer verontrustend: de koningin was met de regering gevlucht (...). Op de Heemraadssingel hebben wij een drukken morgen met veel kasverkeer gehad, die mij geen tijd liet met mijn gedachten te vertoeven bij de dramatische ontknoping, die de zaken voor ons land tegemoet gingen, of bij de dingen die er op straat voorvielen. (...) De niettemin ook bij ons hangende nerveuze stemming ontlaadde zich alleen in een komiek voorval: Plotseling klonk de waarschuwing: er is een brandbom op het pand terechtgekomen we staan in brand! Dus gristen we de duizenden paperassen bij elkaar en renden naar de kluis. Even later bleek dat de conciërge een pan met vet in brand had laten vliegen, waardoor een grote rookontwikkeling was ontstaan. Dus gingen we weer aan den slag met het helpen van cliënten en personeel aan de zo dringend begeerde contanten.”

 

Om twaalf uur gaat De Goede naar zijn woning aan de Essenburgsingel om daar te lunchen. Hij gebruikt de maaltijd liggend in de gang, want om 13.25 uur begint het grote bombardement op Rotterdam waarbij 650 tot 900 mensen het leven verliezen. Een afgedwaald vliegtuig werpt enkele bommen af die op en om het Heemraadsplein terechtkomen[12]. De directeur van het telefoondistrict meldt dat zich hieronder ook brandbommen bevinden[13]. De Duitsers hebben het afwerpen van dit type bommen boven Rotterdam altijd ontkend, maar deze waarneming zou wel een verklaring kunnen vormen voor de enorme brand die na het bombardement in het stadscentrum uitbreekt. Bij het Heemraadsplein wordt voor zover bekend weinig schade aangericht. Niet alle bommen gaan af. Een blindganger komt terecht voor het café op de westelijke hoek van de Heemraadssingel (Nieuwe Binnenweg 332). Het projectiel is later door de Duitsers of de mijnopruimingsdienst ter plekke opgeblazen[14].

 

Na het bombardement gaat De Goede naar buiten: “Ik greep toen mijn trouwe fiets maar weer om naar kantoor te rijden, maar van werken is dinsdagmiddag niets meer gekomen; het dagelijks leven was nu vrijwel tot staan gekomen. Mijn directeur, die aan den Heemraadssingel woont  [F.J.F.Vismans, nr 101], stond na het bombardeergeweld, in zijn voortuin op verhaal te komen, toen ik langsfietste. Hij gaf er de voorkeur aan onder de gegeven omstandigheden maar liever bij zijn gezin te blijven en ik nam op mij nog even langs kantoor te gaan om mogelijke andere plichtsgetrouwen naar huis te sturen, doch wijselijk bleek men uit zich zelf al verstek te hebben laten gaan.”

 

Er komt ten minste één singelbewoner door het bombardement om het leven. Dat is de eerder genoemde Max Heidt, die samen met veel andere Duitsers en NSB-ers is overgebracht naar het hoofdbureau van politie of de daarnaast gelegen vooroorlogse Doelen. Hij behoort tot de ongeveer 45 geïnterneerden die daar bij het bombardement op 14 mei de dood vinden. Hij wordt met 24 andere omgekomen geïnterneerden op begraafplaats Crooswijk begraven in een gemeenschappelijk graf. Heidt krijgt echter een afzonderlijke grafsteen met een Davidster omdat hij van Joodse afkomst is[15].

 

15 mei 1940

 

Duitse troepen trekken direct na de overgave de stad verder binnen. In het westen van de stad maakt men pas een dag later, op 15 mei, echt kennis met de bezetters. Ben Laurens:

Op de Heemraadssingel, tussen Binnenweg en Mathenesserlaan, waren ook een paar panden verwoest. Het puin versperde een groot gedeelte van de rijweg. Terwijl wij daar stonden te kijken reden Duitse militairen ons op motoren en in auto's voorbij. Onder de grijs getamponneerde pothelmen zagen ze er met hun gegroefde gezichten uit als oude kerels. Nee, vriendelijk waren ze zeker niet. Dat merkte ik toen een van hem mij een zwieper met zijn geschoeide hand gaf. Hij manoeuvreerde zijn motorfiets behoedzaam langs het puin en ik stond hem in de weg. Dit waren de eerste Duitsers die ik zag[16].

 

Die middag trekt de 7e Pantserdivisie over de Maasbruggen de stad in om zijn weg te vervolgens langs de Mathenesserlaan. Op persoonlijk bevel van Adolf Hitler maakt de divisie een demonstratieve tocht naar Den Haag, Amsterdam en Utrecht om de bevolking te intimideren. De kennismaking met deze lange colonne tanks, een wapen waarover het Nederlandse leger niet beschikte, mist zijn uitwerking op Ben Laurens niet:

 

“Ik stak de Mathenesserlaan over en draafde langs de radiozaak van Pekel naar het Heemraadsplein. Net wilde ik het 'plantsoentje' ingaan toen met veel lawaai een achtergebleven tank de brug over de Heemraadssingel passeerde. Naar mijn idee reed het ding afgrijselijk hard, maar dat was gezichtsbedrog. Veertig kilometer was in 1940 al heel snel voor een rupsvoertuig. Bij het Heemraadsplein zit een knik in de Mathenesserlaan en zoals de tank daar die flauwe bocht nam, ik zie het nog gebeuren. Het was net alsof hij zonder snelheid te minderen door een reusachtige hand werd opgetild, een achtste slag gedraaid en weer neergezet. Een krankzinnig, welhaast ongelofelijk gezicht[17].”

 

Op 16 en 17 mei volgen de Duitse infanterie en artillerie, die via de Vierambachtstraat de Heemraadssingel kruisen.

 

 

2. Luchtgevaar

 

De capitulatie betekent voor Rotterdam het einde van de oorlogshandelingen te land, maar niet van die in de lucht. Nu echter komen de luchtaanvallen van geallieerde zijde. Deze blijken voor de Rotterdamse bevolking op den duur niet minder dodelijk dan het Duitse bombardement op 14 mei. De haven van Rotterdam is van strategische betekenis, onder meer als marinehaven, transportcentrum, bouw- en herstelplaats van schepen en vanwege de olie-industrie. Daarbij dient Rotterdam, dat vanwege de ligging aan de rivier vanuit de lucht makkelijk te vinden is, als doel voor jonge en ongeoefende bemanningen ("freshmen's target")[18]. Door misworpen worden regelmatig woonwijken getroffen. Radio Oranje roept de bevolking op om zoveel mogelijk de omgeving van de havens langs de Nieuwe Waterweg en van de rangeerterreinen te verlaten. Het voortdurende gevaar vanuit de lucht veroorzaakt een grote angst.

 

Het huis aan de Schieweg waarin de joodse schrijver G.L. Durlacher en zijn ouders wonen, wordt zowel door een Duits als door een Engels bombardement getroffen. Hij schrijft over de gevolgen hiervan in zijn boek 'Strepen aan de hemel'[19]:

 

"Ik zie mijn ouders op zoek naar andere woonruimte, flats of benedenwoningen in Blijdorp - de vreugde van het nieuwe en de teleurstelling over mislukte pogingen: verhuurd of onbetaalbaar. De lege kamers die met onmogelijk grote meubelen uit grootvaders tijd gevuld zouden moeten worden. De gemeubileerde suite aan de Heemraadssingel met zes door de kamers verspreidde bedden en een moeilijk bereikbare wc, waar ik bij elk luchtalarm, duizelig en met opstandige ingewanden, naar toe moet worden geholpen. De thuiskomst in de opgelapte en gehavende woning aan de Schieweg met zijn gecementeerde scheuren en lucht van verse stopverf en jong plankenhout'.”

 

Tijdens de eerste nacht die in de opgeknapte woning wordt doorgebracht, wordt deze door een nieuw bombardement getroffen:

 

"Een brullende donderslag die dat niet was, slaat ons uit de bedden. Vliegend glas en puin. Een aardbeving, regen en storm in de slaapkamer. De bedden in elkaar gezakt. We vluchten de binnentrap af. De harde bouclé-loper onder het gruis en scherven. Mijn voet bloedt. Beneden lijkt het alsof de tijd sinds 14 mei stilgestaan heeft, alleen deze keer waren het verdwaalde Engelse bommen. De volgende uren zijn vergeten. 's Ochtends heb ik een verbonden voet en zie ik mijn ouders nog in hun nachtgoed. De weken die nu volgen zij onderbelicht. Weer dezelfde suite aan de Heemraadssingel, weer duizeligheid en weer het vliegtuiglawaai en de sirenes als purgeermiddel. Waar lijkt het veilig in Nederland?"

 

Op 4 september 1941 wordt de Heemraadssingel opnieuw getroffen door een luchtaanval. Door bominslag in het blok Vierambachtstraat/Heemraadssingel komen 16 Rotterdammers om. De schade blijft beperkt tot woningen aan de Vierambachtstraat. Het gerucht gaat dat in de zoeklichtbundel Duitse balkenkruizen zichtbaar waren, maar de bom was in werkelijkheid van de RAF afkomstig.[20] 

De door de bezetter gecontroleerde pers meldt dat de bommen zijn afgeworpen door een Engelse bommenwerper op stratosfeerhoogte: "Op te merken valt dat deze wijze van oorlogsvoering met elk begrip van moraal en volkenrecht in strijd is en een onschuldige burgerbevolking terroriseert, zonder dat daar enigerlei houdbaar motief voor aan te geven is. De bewering als zou men instrumenten bezitten, om van de genoemde enorme hoogte toch nog zijn doel te kunnen vinden, wordt door deskundige militaire kringen belachelijk genoemd".[21]

 

Er wordt niet alleen luchtalarm gegevens als Rotterdam het doelwit is, maar ook als vliegtuigen overvliegen op weg naar Duitsland. De bevolking gaat dan massaal naar de schuilplaatsen. Tijdens een groot deel van de oorlog is dit vrijwel dagelijks het geval. De aanhoudende geallieerde bombardementen en de oproep van Radio Oranje om de stad te verlaten, leiden ertoe dat vooral meer gegoede inwoners wegtrekken[22]. Hieronder zijn ongetwijfeld ook de nodige singelbewoners. De familie Durlacher verruilt Rotterdam voor Apeldoorn.

 

 

3. R’dam-West als stadscentrum

 

Het bombardement op de stad maakt 80.000 duizend mensen dakloos. Daarvan vinden er uiteindelijk ongeveer 54.000 onderdak in Rotterdam bij familie of kennissen, in geïmproviseerde noodtehuizen of op andere wijze.

Ook vele bedrijven en zo'n 2400 winkels zijn vernield. Gedupeerde winkeliers zoeken naar een leegstaand winkelpand om hun bedrijf te kunnen voortzetten, of desnoods naar een beschikbaar herenhuis. Zo vindt het kledingmagazijn Nederland een voorlopig onderkomen aan de Heemraadssingel, evenals het afbetalingsmagazijn Loeb uit de Oppert[23]. Om in de behoefte aan winkelruimte te voorzien worden noodwinkels gebouwd. Centra met deze winkels, die in korte tijd worden opgetrokken en niet met heipalen worden gefundeerd, verrijzen onder meer op het nog grotendeels onbebouwde Land van Hoboken, aan de Nieuwe Binnenweg, de Mathenesserlaan en de Rochussenstraat. Hier komen ook uitgaansgelegenheden. Het centrum van de stad verschuift daardoor naar Rotterdam West. Op het Heemraadsplein wordt ook een rijtje noodwinkels gebouwd.

 

Totdat de noodwinkels gereed zijn, is de Nieuwe Binnenweg de belangrijkste wandelpromenade van de rechter Maasoever. Honderden, zoniet duizenden flaneren op zaterdagmiddag over de trottoirs en doen er hun inkopen. Colporteurs van de Nederlandse Unie venten dan met hun blad De Unie. De kruispunten met Heemraadssingel, Claes de Vrieselaan en 's-Gravendijkwal zijn bij uitstek geschikte plaatsen om het blad te slijten. Meestal staan de verkopers op de hoeken met de zijstraten. NSB-ers stellen zich dan op een tegenoverliggende hoek op om het blad Volk en Vaderland aan de man te brengen. Dit leidt regelmatig tot incidenten, bijvoorbeeld als een exemplaar van het NSB-blad wordt aangekocht om ter plaatse demonstratief de schoenen mee te reinigen. De NSB-ers krijgen dan versterking vanuit het bankwartier aan de 's-Gravendijkwal 116 en gaan met het publiek op de vuist. Ook mensen die niet weten wat er aan de hand was lopen daarbij klappen op en belanden soms in het ziekenhuis. Regelmatig delft echter ook de NSB het onderspit. Daarbij verplaatsen de rellen zich soms naar de Heemraadssingel. Ben Laurens:

 

“Een van de WA-mannen attaqueerde de winkelende burgers te paard. De rijvaardigheid was echter niet groot. Jan Kalkman, oud kanonier bij de rijdende artillerie, zag dat onmiddellijk. De omstanders drongen de imitatie-cowboy vanaf de Binnenweg, door het gras van de Heemraadssingel, naar de waterkant en lichtten hem daar uit het zadel. Het paard wachtte geduldig tot zijn baas - na langdurig te zijn gepest - de kans kreeg weer op de oever te klimmen.”[24]'

 

Ook in 1941 doen zich nog verschillende incidenten op de Heemraadssingel voor, zoals blijkt uit de nauwkeurige administratie die daarover destijds (door de NSB?) is bijgehouden. Op 15 maart vallen jongens een WA-er lastig. Twee dagen later wordt een NSB-er voor landverrader uitgescholden. WA-ers pakken naar aanleiding hiervan vijf mensen op, hetgeen uiteindelijk tot één aanhouding door de politie leidt. Op 27 mei wordt een student gearresteerd na een ruzie met NSB-ers over het feit dat hij ijsjes uitdeelt om te vieren dat de Duitse pantserkruiser 'Bismarck' die ochtend in een gevecht met de Britse Marine tot zinken is gebracht[25].

 

De Heemraadssingel is het toneel van verschillende politieke optochten en marsen. Zo wordt op zaterdag 2 mei 1942 voor de eerste keer in Nederland een mars gehouden van eenheden van de Duitse Hitlerjugend, de Bund Deutcher Mädel en de Nationale Jeugdstorm. 1500 jongens en meisjes uit Den Haag en Rotterdam marcheerden via de Coolsingel, Kruiskade, Heemraadssingel, Binnenweg en Westersingel naar het 'Deutsche Haus' aan de Westzeedijk[26].

 

Op het Heemraadsplein worden ook in de oorlog concerten gegeven. Zo speelt op de avond van 5-7-1944 het stafmuziekkorps van de Staatspolitie te Rotterdam onder leiding van Opperluitenant-Kapelmeester H. van Vessen. Dergelijke pleinconcerten met een semi-militair karakter, zijn kennelijk niet tot ieders genoegen. Enige dagen later beklaagt de secretaris der Rotterdamse Harmonie (v.h. Korps Kon. Scherpschutters) zich er in het Rotterdams Nieuwsblad over dat er steeds minder pleinconcerten worden gegeven omdat het publiek zich zo wanordelijk gedraagt[27].

 

 

4. Duitse instellingen

 

De bezetter heeft behoefte aan ruimte om de eigen instellingen te huisvesten. Daartoe worden veel panden gevorderd, waaronder verscheidene aan de Heemraadssingel. Zo worden Heemraadssingel 103[28], 131 en 278  t.b.v. de Wehrmacht gevorderd (en na de bevrijding door Engelse militairen benut).

 

Heemraadssingel 261 wordt in gebruik genomen door de Kriegsmarine. Personeel van de Kriegsmarine wordt ingekwartierd in logementen, o.m. aan de Heemraadssingel 155 en 286. In augustus 1940 liggen er in de Coolhaven enkele tot landingsvaartuigen omgebouwde Rijnaken in verband met de voorgenomen invasie van Engeland. A.M. van Dantzig: “Deze rijnaken waren uitgerust met twee vliegtuigmotoren die waren geplaatst op een stellage op het achterhuis van de boten. De propellers moesten kennelijk voor extra voortstuwing dienen. De boten voeren regelmatig rondjes van een paar honderd meter in dit havenbekken, waarbij de vliegtuigmotoren een immens lawaai maakten.[29]

 

Aan de Heemraadssingel bevindt zich ook het beruchte Wirtschafts Kommando dat belast is met het vorderen van onder meer voedsel en transportmiddelen voor de Wehrmacht. De Duitse militairen worden uiteraard goed gevoed en daarbij vordert de Wehrmacht meer voedsel dan ze direct nodig heeft, om ook op langere termijn geen enkel risico te lopen. Tijdens de hongerwinter maakt dit de voedselsituatie nog nijpender.

 

Aan de Heemraadssingel 114 wordt een kantoor van de NSDAP gevestigd (het pand is waarschijnlijk gevorderd van de Joodse familie Cohen). De NSDAP is niet alleen de partij van Hitler, maar fungeert in Rotterdam ook als burgerlijke stand voor aldaar wonende Duitsers. Naast NSAP 'Dienststelle' is de Heemraadssingel 114 ook het woonadres van Anna Maria Schrupp-Creutz, Ortfrauenschaftsleiterin Delfshaven. Het ledenregister 1940-1941 van de NSDAP vermeldt iets meer dan 300 Rotterdamse leden (niet veel gezien de 5000 Duitsers die in Rotterdam woonden), waarvan er vijf aan de Heemraadssingel wonen[30].

 

In het kielzog van de bezetter vestigt ook de NSB zich aan de singel. Op 28 juni 1941 opent de Leider van de NSB, ir. Mussert, het NSB-disrictshuis aan de Heemraadssingel 237 (het pand is gevorderd van de Joodse familie Van Dantzig). Hij arriveert in een open limousine en houdt vanaf het balkon een toespraak voor duizenden op de Heemraadssingel verzamelde Rotterdammers. De Rotterdammer meldt daarover "In zijn toespraak betoogde hij dat in dit bijzondere tijdvak van historisch gebeuren het vasteland van Europa praktisch gesproken aaneengesloten staat. De NSB heeft de verantwoordelijkheid genomen voor de toekomst van ons volk. Spreker dankte zijn aanhangers voor hun trouw in het verleden en deed een beroep op hen met het oog op de toekomst. Eens zal ons volk begrijpen dat de NSB is gekomen om in deze moeilijken tijd leiding te geven aan dit volk. Aan het einde van deze toespraak heeft de muziek het Wilhelmus gespeeld, dat door allen werd meegezongen. Vervolgens hebben de WA en de Jeugdstorm voor den leider der NSB gedefileerd."[31]

 

Op 1 mei 1942 wordt op last van de Duitsers het Nederlandsche Arbeidsfront (NAF) opgericht waarin de vakorganisaties NVV, CNV en RKWV opgaan. Het stedelijk bureau Rotterdam van het NAF, dat door NSB-ers wordt geleid, wordt gevestigd aan de Heemraadsingel 163.

 

Op 10 juni 1944 wordt er in een niet nader bekend pand aan de Heemraadssingel een nieuw onderkomen van de Hitlerjugend geopend. Het Rotterdamsch Nieuwsblad schrijft: "Zaterdags was het voor de jongens en meisjes van de Rotterdamse Hitler-Jugend een belangrijke dag. In de late middaguren traden afgevaardigden van de Bund Deutcher Mädel en de Hitler-jugend aan om met wapperende vlaggen naar het nieuwe kwartier aan den Heemraadssingel te marcheren. Hier meldde Führer des Bannes, Obergefr. Stannull, aan den Kreisleiter, pg. Seiferbald, de aangetreden jongens en meisjes. "Auf hebt unsere Fahnen" was het eerste lied waarmee de plechtigheid werd geopend. De Bahnführer wees er in zijn rede op hoe moeilijk het is lichte en mooie vertrekken te krijgen. Hij verheugde zich erover, dat nu de Rotterdamse jongens en meisjes een kwartier hebben, waarin de dienst hun nog eens zoveel vreugde zal bereiden. Juist in deze tijd, zei hij, willen wij sterke en dapperen harten bewaren en niettegenstaande de ernstige tijden onze blijmoedigheid en vrolijkheid niet verliezen. Hiermee droeg de Kreisleiter het huis aan de jeugd over."[32]

 

 

5. De SD in actie

 

De belangrijkste Duitse instelling aan de Heemraadssingel is echter omgetwijfeld de 'Sicherheitspolitzei und SD (Sicherheitsdienst)', die zich in augustus 1940 vestigt op nr. 226 (hoek Heemraadssingel/Mathenesserlaan). In navolging van het taalgebruik tijdens de bezetting, zal deze dienst gemakshalve worden afgekort tot 'SD'. Op Heemraadssingel 157 is het Kasino (Duitse term voor officiersverblijf) gevestigd waar SD-officieren eten en slapen en ook Heemraadssingel 153 is als slaapgelegenheid voor SD-personeel ingericht. Herbert J. Wölk, die vanaf 1942 de SD-vestiging aan de Heemraadssingel leidt, woont ergens aan de oostzijde van de singel tussen Middellandstraat en Schietbaanlaan.

De SD bestaat in Nederland slechts uit 300 à 350 politieambtenaren, maar slaagt er niettemin in om gedurende de bezetting een atmosfeer van schrik en angst onder de bevolking te verspreiden. De organisatie heeft zijn hoofdkwartier in Den Haag en Aussen(dienst)stellen (buitenposten) in zes grote steden waaronder Rotterdam. De SD houdt zich bezig met de bestrijding van het verzet, de vervolging van joden en met bepaalde vormen van gewone criminaliteit, zoals de zwarte handel. Daarbij is de SD in belangrijke mate afhankelijk van de medewerking Nederlandse politie. Arrestanten verblijven meestal maar kort aan de Heemraadssingel, na het eerste verhoor worden zij veelal afgevoerd naar de gevangenis is Scheveningen, in de volksmond bekend als het 'Oranjehotel'. Arrestanten kunnen met een waarschuwing of boete worden vrijgelaten, voor een Duitse rechtbank worden gebracht of zonder vorm van proces voor onbepaalde tijd in 'Schutzhaft' (een soort preventieve hechtenis) in een concentratiekamp worden vastgehouden. Vanaf september 1944 kan de SD bovendien zelfstandig verzetsstrijders liquideren. Veel gearresteerde verzetsmensen worden gevangen gehouden om als slachtoffer te dienen bij represailles.

 

Vanuit haar bureau aan de Heemraadssingel 226 pakt de SD de strijd tegen het beginnende Nederlandse verzet direct grondig aan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van V(vertrauwens)-männer; Nederlandse verraders die hun diensten aanbieden aan verzetsorganisaties en hier zo in infiltreren. Het verzet is niet op deze werkwijze voorbereid. Zo weet de Rotterdamse politieman Izak Daane in opdracht van de SD te infiltreren in de verzetsgroep De Leeuwengarde. Hij krijgt daar uitgerekend de opdracht om een kaartsysteem van de leden aan te leggen. De verzetsgroep is nog niet verder gekomen dan twee mislukte aanslagen op een boot in de werf Gusto alsmede het verzamelen van militaire inlichtingen die wegens het ontbreken van verbindingen Engeland niet kunnen bereiken[33].

Als gevolg van het werk van Daane wordt op 9 april 1942 de jonge advocaat Floris Bakels 's morgens tegelijkertijd met een dertigtal anderen door de SD van zijn bed gelicht.

Vervolgens, aldus Bakels, "...rijden we naar de Sipo-Dienststelle aan de Heemraadssingel. Auto's rijden af en aan, er schijnt veel gaande te zijn. Ik word met de in beslag genomen goederen afgeleverd in de hal. Ik zie er vele Hollandse vlaggen, radiotoestellen, speldjes, uitgezaagde guldens, stapels pamfletten. Ik ga in een hoek mijn pijp stoppen met sigarepeuken en rook. Een geüniformeerde kerel houdt een van mijn spullen omhoog. De gummi-jas roept: 'Das gehört dem da'. Aanmerkelijk minder beleefd. Hij loopt op mij toe en mept mij de pijp uit de mond. (....) We gaan naar boven, een grote achterkamer in. Onder bewaking staan daar twintig tot dertig mannen, min of meer in de houding, het gezicht naar de muur. Het lijken bijna allemaal arbeiders, ik zie beenkappen, leren jassen, alpinopetjes overalls. Ik neem mijn plaats in de achterste rij in. Mijn zware winterjas drukt op mijn schouders. Ineens: Johan de Jongh, in de voorste rij. Hij kijkt even om, we hebben elkaar gezien. Hij kijkt nu stil voor zich, vreemd gedwee. Johan en ik, al deze kerels, wat kan dat zijn? Waarvoor hebben ze me gepakt?

Het is langzamerhand twee uur. Heel in de verte hoor ik Rotterdam gonzen. Plotseling zie ik ook Van den Acker met zijn tanig gezicht en zware ogen. Hij ziet er onaangenaam uit. Wat is er toch gebeurd? Er is eigenlijk niets gebeurd - nog niets. Vielleicht is der Herr heute abend zurück. Ik hoefde niet eens toiletartikelen mee te nemen. Je zult zien, straks is de voorstelling voorbij. Maar die papieren...

Lawaai, deuren wijd open. Alles raus, aber langsam, zu zwei. De vestibule is zwaar bewaakt. Spijkerlaarzen stampen rinkelend om ons heen.(...) Met drie man tegelijk gaan we naar buiten. In elke auto wacht een chauffeur. Wegens mijn lange benen - dit wordt er gekscherend bij gezegd - krijg ik order naast de chauffeur te gaan zitten. Twee anderen achterin, een mof tussen hen in. We rijden op, stoppen meteen weer, er formeert zich een stoet. Luid schreeuwende Duitsers met lijsten komen langs, vragen namen. Dan, achttien wagens achter elkaar, ik in de vijfde, rijden we door Rotterdam, over de vaart, langs Overschie, de grote weg op, de weg naar Den Haag. De weg naar Scheveningen[34].

 

Van de 80 personen die in verband met de Leeuwengarde worden gearresteerd, worden er 13 ter dood gebracht. Vijfendertig anderen krijgen gevangenisstraf of worden, net als Floris Bakels, zonder veroordeling naar een concentratiekamp gestuurd als 'Nacht und Nebel'-gevangene, hetgeen inhoudt dat zij spoorloos verdwijnen zonder dat bericht over hun lot wordt verstrekt.

 

 

6. Jodenvervolging

 

De SD is ook verantwoordelijk voor de anti-joodse maatregelen, die in ernst toenemen naarmate de oorlog voortduurt. Het begint ermee dat de joden geleidelijk uit het openbare leven worden verdreven. In november 1940 worden Joden in overheidsdienst ontslagen. Vanaf mei 1941 worden joodse bedrijven onder dwang geliquideerd of verkocht, vanaf augustus 1941 wordt onroerend goed in joods bezit verkocht, in september 1941 mogen joodse kinderen niet meer naar hun eigen school, in mei 1942 wordt de Davidsster ingevoerd en voor 30 juni van dat jaar moeten alle voorwerpen van waarde en bedragen boven de f 250 worden ingeleverd.

 

Hans Catz , wiens ouders toen woonden aan de Heemraadssingel 131: Begrip krijgen van de situatie ging, voor ons, joden, niet zo vlug. Het was een langzaam proces. Eerst waren er de bordjes gekomen ‘Verboden voor Joden’, in parken, in café’s. De maatregelen in het onderwijs. We leefden ermee. Mijn moeder zij: “Het is toch krankzinnig dat je niet meer in een café mag komen.’ “Toe nou moeder, wanneer ben je nou toch voor de laatste keer in een café geweest, wanneer heb je nou voor de laatste keer op een bankje in het park gezeten?’ ‘Ja, drie jaar geleden heb ik nog wel eens met oma op een bankje in het park gezeten.’ ‘Ach moeder, zie je nou, er zijn toch wel belangrijker dingen dan op een bankje in het park zitten. Ja natuurlijk, het gaat om het idee en het is schandalig. Maar het zijn toch vuile schoften, dat weet je toch.’[35]

 

De deportatie van 6800 Rotterdamse joden vindt plaats tussen 30 juli 1942 en medio 1943. Aanvankelijk ontvangen de weg te voeren joden een oproep om zich te melden. Als bij het derde transport in augustus 1942 nog maar een kwart van de opgeroepen joden op komt dagen, worden de betrokkenen voortaan ’s avonds uit hun woningen opgehaald.

Er wonen enkele tientallen Joodse gezinnen aan de Heemraadssingel. Verschillende van hen weten aan deportatie te ontkomen. De familie Oostra (Heemraadssingel  165) vlucht vlak na het uitbreken van de oorlog. In 1942 weten verschillende leden van de familie Van Dantzig te vluchten of onder te duiken:

·      De heer A.M. van Dantzig: “Overeenkomstig de wens van mijn grootmoeder Adéle Hilsum, die woonde aan de Heemraadssingel 204, woonden ook haar vijf getrouwde kinderen met hun gezinnen aan de singel. Mijn ouders woonden op nr. 278, en er woonden ooms en tantes op de nrs. 131, 132, 152, en 237. In oktober 1941 kregen wij bericht van een vriend, die ambtenaar op het stadhuis was, dat we op de lijst voor een razzia stonden. We zijn toen enkele dagen ondergedoken bij vrienden aan de Rochussenstraat. Vervolgens ben ik met mijn ouders, zuster en een neef  met valse papieren langs een door een georganiseerde vluchtweg via Frankrijk naar Portugal vertrokken. In Frankrijk moesten de plannen echter worden gewijzigd en zo zijn we in Zwitserland terechtgekomen. Uiteindelijk ben ik via Engeland naar Australië gegaan, waar ik aan de oorlog heb deelgenomen.“

·      Louise van Dantzig  en haar man James Catz, die achtereenvolgens woonden aan de Heemraadssingel 325, 64 en 131, hebben eerder dezelfde vluchtweg genomen. Zij betaalden hiervoor 5.000 gld. (ca. € 2300) per persoon voor zichzelf en voor hun kinderen Hans en Theo. Bij de grens van bezet Frankrijk met Vichy Frankrijk worden ze door de Duitsers gearresteerd en afgevoerd naar het doorgangskamp Drancy nabij Parijs. Tijdens een daaropvolgend transport naar Dachau weten Hans en Theo op 4 november 1942 door een luchtgat van de veewagon waarin ze worden afgevoerd te ontsnappen. De beide ouders worden drie dagen later in Auschwitsch vermoord. Hans en Theo weten respectievelijk Zwitserland en Portugal te bereiken. Hans Catz heeft van zijn uitzonderlijke vlucht, die hem door zeven landen voert, verslag gedaan in het boek “Het oog van de naald”.

·      Als David van Dantzig en zijn vrouw Willy Catz weigeren hun huis aan de Heemraadssingel 237 aan de NSB te verkopen worden ze bedreigt met het concentratiekamp. Ze worden uiteindelijk zelfs gedongen de NSB een hypotheek op het pand te geven[36]. Na een tijdelijk verblijf in het Israëlitisch Weeshuis aan de Mathenesserlaan 208 vluchten ze als laatste met drie van hun vier hun kinderen. Zij worden op weg naar Zwitserland in Frankrijk gepakt en komen allen om in Auschwitsch.

·      Mau van Dantzig en zijn vrouw Ella van Bergh (Heemraadssingel 152) overleven de oorlog als onderduikers. Mau, die kunstschilder is, maakt valse persoonsbewijzen. 

·      Rosa van Dantzig loopt minder risico voor deportatie, omdat ze als enige van de familie met een niet-jood getrouw is: Daan van Enter. Deze neemt schoonmoeder Adéle Hilsum als onderduiker op in zijn huis aan de Heemraadssingel 132. Ook buiten familieverband is hij actief in het verzet. Hij maakt valse persoonbewijzen en bonkaarten en zorgt voor schuiladressen.

 

Het gezin Van Daelen (Heemraadssingel 139) weet nog in 1943 naar Portugal te ontkomen. Ongetwijfeld zijn er nog meer joodse Heemraadssingelbewoners die vluchten of onderduiken. De overgrote meerderheid wordt echter gedeporteerd en overleeft de oorlog niet. De volgende 40 personen komen om het leven nadat zij zijn weggevoerd:[37]

·         Heemraadssingel 30, Arie Cosman

·         Heemraadssingel 34, Siegfried Groen

·         Heemraadssingel 58 b, Mourits van Emden, Zientje van Emden-Rozenberg

·         Heemraadssingel 76, Emanuel Hartog, Marianne Hartog-Jacobs

·         Heemraadssingel 123, Vrouwkje Frank-Frank

·         Heemraadssingel 131, Judith Roza Walg

·         Heemraadssingel 131 James Catz, Louise Catz-van Dantzig

·         Heemraadssingel 162, Hanna Bosman

·         Heemraadssingel 179, Izak Aptroot, Frieda Aptroot-van Dam, Pauline Rita Aptroot, Mary Aptroot

·         Heemraadssingel 186, Siegfried Winkel, Henriëtta Winkel-Blitz

·         Heemraadssingel 202, Gertrud Lehmann

·         Heemraadssingel 213 a, Juliette Simons-Oppenheimer, Albert Simons

·         Heemraadssingel 234, Nathan Salomon Frenk, Sophia Frenk-van Creveld

·         Heemraadssingel 237, David van Dantzig, Wilhelmina Jacoba van Dantzig-Catz

·         Heemraadssingel 241 a, Renarde Edith Meibergen

·         Heemraadssingel 276 a, Leonard Zwick, Felix Morits Zwick

·         Heemraadssingel 281 b, Kurt Michael Bruno Asch, Jeanne Asch-Weiler, Louis Sigismond Asch, Suzanna Asch, Robert André Asch.

·         Heemraadssingel 281, Margaretha Weiler

·         Heemraadssingel 304 b, Aron Shermok

·         Heemraadssingel 306 b, Elias den Hartog

·         Heemraadssingel 310, Bernhard Bär, Saartje Bär-Walg, Käthe Bertha Bär »

·         Heemraadssingel 325 b, Joseph Isidore Louis Akker

·         Heemraadsplein 8 a, Samuel Louis van Leeuwen

 

In de kraaminrichting Carmenta aan de Heemraadssingel 119 zitten verschillende onderduikers verborgen, waaronder ook joden. Hanneke Bruijninckx-Magielsen, de dochter van de toenmalige directrice Tonnie Magielsen " Zij deden zich dan voor als patiënten die trombose hadden. Eén van hen werd door een eigen neef verraden. Onderduikers gingen soms vermomd als verpleegster over straat. Mijn moeder is altijd bang geweest dat ze zou worden opgepakt en naar Vught getransporteerd. De Duitsers kwamen geregeld bij ons controleren. Om tijd te rekken, kregen ze dan eerst een borrel. Ik zie het nog gebeuren. Er werd in het glas gespuugd en vervolgens werd er ingeschonken. Die borrel diende natuurlijk om tijd te rekken. De onderduikers konden zich dan verstoppen onder de dubbele vloeren!'[38]

 

 

7. Anton van der Waals

 

Anton van der Waals is een van de succesvolste verraders voor de Duitsers. Vele tientallen mensen in en rond het verzet worden slachtoffer van zijn verraad. Begin 1943 is hij gelijktijdig geïnfiltreerd in drie verzetsgroepen, waaronder een groep Delftse Corpsstudenten onder leiding van chemiestudent Willem Pahud de Mortanges, die al eens spoorwegen en een Duits schip hebben opgeblazen. Anton van der Waals doet zich aan hen voor als een Engelse agent die explosieven kan leveren. De SD zet een valstrik in het pand Heemraadssingel 165. Dit huis is gevorderd van de gevluchte Joodse familie Oostra en staat permanent ter beschikking van de Dienststelle te Rotterdam. In de achterkamer wordt een grote hoeveelheid Engels sabotagemateriaal neergelegd en door Van der Waals aan Pahud getoond. Op 9 maart 1943 komen Pahud en zijn vrienden vanaf zeven ‘s avonds uur in groepjes naar de Heemraadssingel om het materiaal op te halen en daarmee vervolgens enkele mijnenvegers op te blazen. Een tiental SD'ers stelt zich verdekt in het pand op. De eerste student die arriveert was Willem Verloop, die een week tevoren het contact tussen Van der Waals en Pahud heeft gelegd. Hij is door Van der Waals van het station opgehaald. Eenmaal binnen wordt hij door de SD overmeesterd en aan handen en voeten geboeid en met een prop in zijn mond op de derde verdieping gelegd. Vervolgens arriveren drie studenten, onder wie Pahud de Montagnes. Van der Waals laat hen de voorkamer in en biedt hen thee aan. Hij opent de schuifdeuren en loopt naar achteren. Even later is het niet van der Waals die terugkeert met een theeblad, maar de voormalige beroepsvechter Nico Johannsen. Deze groet de aanwezigen in zo goed mogelijk Nederlands, zet het blad met kopjes op tafel en werpt zich op de dichts bijzijnde student. Ogenblikkelijk stormt de rest van het Festnahmekommando de voorkamer in. Even later liggen er vier geknevelde jongens op de derde verdieping.

De overige drie zouden wachten bij de telefooncel op de hoek van de Heemraadssingel en de Vierambachtstraat. Enkele SD-ers kleden zich in de met de jassen en hoeden van de reeds gearresteerden en weten zo nog twee studenten aan te houden. De derde, Paul Josso, die op de fiets precies op het afgesproken tijdstip bij de cel aankomt, krijgt wel een klap met een gummistok op zijn hoofd, maar die klap is niet hard genoeg. Josso stoot zijn fiets omhoog tegen borst en kin van de SD-man en loopt wat hij lopen kan. Enkele Duitsers zetten de achtervolging in. Eén van hen schiet, maar raakt een collega. Josso schiet terug, waarop zijn achtervolgers, niet meer dan schimmen in het nevelige duister, blijven staan[39].

 

 

8. Escalatie tussen SD en verzet

 

In het SD-gebouw aan de Heemraadssingel beleven vele Rotterdammers dramatische ogenblikken. De SD-ambtenaren voeren hun taak meedogenloos uit en velen schuwen daarbij de mishandeling niet[40]. Voor een vijfhonderdtal verzetsmensen vormt het verblijf in het SD-gebouw aan de Heemraadssingel de eerste stap naar hun executie.

 

Zo probeert op 9 januari 1943 de gearresteerde Henk Speksnijder (lid van de verzetsgroep Nederlandse Volksmilitie) hoewel hij geboeid en gewond is, dwars door een ruit naar buiten te springen. Dit mislukt: hij blijft er in steken (en wordt op 14 juli 1943 gefusilleerd).[41] 

 

Uiteraard zint men in verzetskringen op acties tegen de SD. Op 2 juli 1942 wordt in of bij de Aussenstelle een primitieve tijdbom aangetroffen. Het is een granaat met een uurwerk die niet ontploft.[42] Om inlichtingen voor het verzet te krijgen wordt zelfs enige tijd een pseudo-glazenwasser bij het SD-gebouw ingezet[43]. Soms wordt een succes geboekt. Zo weet de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers voor een fors bedrag een SD-medewerker om te kopen. Deze man verraadt het tijdstip waarop twee gevangenen van de Aussenstelle naar Vught worden overgebracht. Als dit transport op 1 september 1944 plaats vindt, wordt het op de hoek van de Heemraadssingel en de Middellandstraat overvallen. Beide gevangenen worden bevrijd[44].

 

Op 5 september 1944 (‘Dolle Dinsdag’) verwacht de bevolking op grond van onjuiste mededelingen van Radio Oranje en een stroom van euforische geruchten, dat de geallieerde Rotterdam zullen binnentrekken. De verzetsorganisatie LKP bezet enkele vitale objecten om deze tegen vernieling door de zich terugtrekkende Duitse troepen te beschermen. Enkele LKP'ers gaan 's avonds laat het NSDAP-gebouw aan de Heemraadssingel 114 binnen en maken de cartotheek met de ledenadministratie buit. Terwijl zij binnen zijn gaat de telefoon. Een Duitser wil weten of er nog collega's aanwezig zijn. Een LKP-er antwoordt dat ze er alle vandoor zijn[45].

 

Na deze dag verhardt de aanpak van de bezetter tegenover de illegaliteit drastisch. Gearresteerde leden van het gewapende verzet worden voortaan vaak standrechtelijk doodgeschoten en ook het aantal represaillemaatregelen neemt toe. Executies vinden in Rotterdam in de regel plaats op de schietbaan aan de Kralingseweg of, bij represailles, op de plek waar een verzetsdaad zich heeft voltrokken. Op 14 september 1944 worden echter drie verzetsmannen geëxecuteerd in de tuin van het SD-gebouw.[46]

De gekeerde oorlogskansen maakte ook de Duitse militairen gefrustreerd en nerveus, wat zij soms afreageren in plotselinge schietpartijen, ook op het Heemraadsplein.

 

B.H. Laurens: "In de vroege ochtend van de 24e oktober verliet meneer Janssen, chef bij de RET, zijn woning in de Van Heusdenstraat om zich naar de tramremise op de Nieuwe Binnenweg te begeven. Op de hoek van het Heemraadsplein en de Mathenesserlaan stond een zwaar bewapende Duitser. Meneer Janssen, in RET-uniform, vond dat maar een vreemde bedoening. Wijs geworden door vier jaren bezetting, zei hij niets. Zonder op of om te kijken liep hij langs de soldaat. Die keek naar hem, dat merkte hij wel. De chef voelde zich helemaal niet prettig, eerlijk gezegd was hij doodsbang, toen hij lang de huizen van het plein naar de remise ging. Hij had het gevoel of de ogen van de militair zich in zijn rug boorden, zo vertelde hij ten minste later in de zaak. Net vóór hij de Binnenweg wilde oversteken, floot en kogel langs zijn hoofd en hoorde hij een schot. Dodelijk verschrikt rende hij de brede openstaande deuren van de remise in en viel op de eerste de beste stoel die hij zag staan. Hij had op een verschrikkelijke manier de bibber in zijn benen."[47]

 

 

9. In actie tegen putjesgravers.

 

Na de teleurstelling van Dolle Dinsdag daalt de stemming onder de Rotterdammers nog verder als de Duitsers beginnen met de vernielingen van de havens, die op 25, 26 en 27 september 1944 hun hoogtepunt bereikten. 35% van alle kades wordt met springstof verwoest. In de daarop volgende dagen wordt de vernietiging voortgezet. Ter voorbereiding van vernielingen in Park-, Jobs-, en Schiehaven laat men putten graven, om deze havens tot ontploffing te brengen. Hoewel de publieke opinie zich scherp hiertegen keert, lenen ook Rotterdammers zich voor dit werk. Hiertegen komt de illegaliteit in actie.

Op 27 september krijgt de ploeg van J.A. de Groot van het LKP hoofdkwartier in Rotterdam de opdracht het kantoor van de belangrijkste aannemer van dit werk, het bouwbedrijf 'Ostbau Knijff' te overvallen. Met acht man wordt op 30 september een inval gedaan in het kantoor aan de Heemraadssingel 223 (slechts 150 meter van het SD-gebouw), waar gegadigden zich kunnen aanmelden. Het is 's morgens om tien uur en men is er druk bezig met het aannemen van werkkrachten. De twee portiers worden naar boven gejaagd en tegelijk wordt de buitendeur gesloten. Als er gebeld wordt en iemand komt zich melden, dan wordt hij toegelaten en naar het kantoor boven gedirigeerd.

Boven treft men al een dertig man aan, welke met de leden van het personeel gedwongen worden met de handen omhoog te gaan staan. Directeur Knijff zelf is niet aanwezig, wel zijn bedrijfsleider en een 'foute' personeelsinspecteur. Dit tweetal krijgt een injectie met cyaankali, maar als dit bij de bedrijfsleider onvoldoende blijkt te werken, wordt hij doodgeschoten; de ander zal het spuitje overleven. De overige personeelsleden worden met gummiknuppels onder handen genomen. Vervolgens nemen de ploegleden de administratie in beslag met de namen en adressen van alle arbeiders, alsmede ƒ 27.000,- (ca. € 12.000) aan contanten. Terwijl men daarmee bezig is, dient zich een Duitse bezoeker aan: "Ich bin der Bauführer". 'Komt u binnen, we zitten juist op u te wachten", is het antwoord; ook deze man wordt doodgeschoten. De aanwezige arbeiders krijgen de geëxecuteerde personen te zien en worden vervolgens vanaf een tafel toegesproken dat hun het zelfde lot wacht indien zij nog langer als 'landverraders' en 'moffenknechten' voor de Wehrmacht werken[48].

 

 

10. Het verraad van Kees Bitter

 

Op 27 oktober wordt de 25-jarige Kees Bitter, een verzetsleider met een respectabele staat van dienst,  door de SD gearresteerd. Om zijn leven te redden besluit hij met de Duitsers samen te werken. Hij doet dit onder meer door van achter een raam in het SD-kantoor illegale werkers die daar passeren aan te wijzen. Zo werden bijvoorbeeld op 3, 5 en 27 november 1944 verschillende verzetstrijders opgepakt, waaronder de LKP-er Segundo Ecury en Tonny Brantenaar.[49]

 

Tonny Brantenaar: "Dat was natuurlijk een verschrikkelijk angstaanjagende gelegenheid... Je wist, dat het een ander gebeurde, je had in gevaren verkeerd, maar op het ogenblik dat ze je inderdaad met geladen pistolen omringden, meesleepten naar binnen, fouilleerden - uiteraard met grote hardhandigheid - en om dan gesmeten te worden op een bovenkamertje.... toch een schrikbarende ervaring. Wij begonnen natuurlijk toen al te beseffen, wat ons zou gebeuren. (...)."

"Wij waren met z'n vieren: Max [Ecury], Ben Cramer, de Delftse student Fentener van Vlissingen en ik. En zo gingen we de avond in. Later is in onze cel binnengebracht een Nederlander, die door een overvloed aan gegevens die hij had, aan ons te kennen gaf dat hij een verzetsman van de eerste orde was.... met wie we veel gepraat hebben... wellicht teveel... en die later op de avond is weggehaald, omdat hij geëxecuteerd zou worden. Wie moesten de nacht in, uiteraard een onrustige nacht in die vreemde wereld, die binnenkort zou aflopen... maar er werd ook geslapen.... Boy (Ecury) had heel sterk de opvatting van: 'het is dan nu geworden', eigenlijk implicerend dat het toch vroeg of laat had moeten gebeuren en dat hij tot het einde toe had volgehouden, op de manier die hij zich had voorgesteld... Hij zei toen ook: 'Ik zal sterven met een glimlach op de lippen...'.

De Nederlander die de cel was binnengebracht was Kees Bitter die op deze wijze trachtte de gearresteerden informatie te ontfutselen. De volgende morgen werden de jongens binnengeleid voor een vijftal Duitse officieren, waar ze in staat van beschuldiging werden gesteld.

"We werden alle vier ter dood veroordeeld, waarbij in het geheel niet verteld werd wanneer het vonnis voltrokken zou worden. Maar mijn vonnis werd dus abgetrennt, totdat men verder gegevens over mij verkregen zou hebben. Vroeg in de middag werden we met z'n vieren in een kleine Duitse bestelauto gezet, met Duitsers bij ons achterin... Toen bleek dat wij naar Den Haag gingen... dat hadden we helemaal niet verwacht... Uit de gesprekken van de Duitsers bleek, dat wij naar de Waalsdorpervlakte moesten."[50] 

Tony Brantenaar is opgesloten in de Scheveningse gevangenis en de anderen werden op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd.

 

Binnen de LKP brengt het grote aantal onverklaarbare arrestaties grote onrust teweeg. De SD weet te veel, en het is dringend gewenst dat de gegevens en dossiers van deze dienst worden vernietigd. Op 9 november 1944 vraagt de LKP daarom aan Londen om het SD-gebouw te bombarderen[51]. Voor Londen reageert, staat de Rotterdammers nog een onaangename gebeurtenis te wachten.

 

 

11. De razzia van Rotterdam

 

Op 10 en 11 november 1944 wordt in Rotterdam door de Duitsers de grootste razzia uit de bezettingstijd uitgevoerd. Aan alle mannen in de leeftijd van 17 tot en met 40 jaar wordt opdracht gegeven om met kleding, schoeisel, eetgerij en voedsel voor één dag op straat te gaan staan. De stad wordt door 8000 militairen afgegrendeld waarbij men wijkgewijs van huis tot huis gaat om de jongens en mannen naar verzamelplaatsen te brengen. Van daar wordt men per trein, schip of te voet af gevoerd naar Duitsland of Oost-Nederland om de door het vertrek naar het front leeggekomen arbeidsplaatsen op te vullen. Bovendien wordt zo voorkomen dat er in militair bedreigde gebieden weerbare mannen zijn die door het verzet of de geallieerden kunnen worden ingeschakeld. Van de 70.000 dan nog in Rotterdam en Schiedam aanwezige mannen in die leeftijdscategorie worden er 50.000 afgevoerd. De overigens verkrijgen vrijstelling of weten zich aan de razzia te onttrekken. Een van de verzamelplaatsen is gevestigd in het nog in aanbouw zijnde Centraal Belastingkantoor aan de Puntegaalstraat.

 

Kees de Jong: “Ik was 17 jaar en behoorde daarom net tot degenen die mee moesten. Mijn ouders dreven aan de Heemraadssingel 155 een familiepension. Daar waren twee SD-medewerkers ingekwartierd. Voor mij was er daarom geen ontkomen aan. Ik werd afgevoerd naar de Puntegaalstraat en vandaar, lopend over de Rochussenstraat naar het station in Delft en vervolgens per goederenwagen naar Duitsland. Wat mij mijn leven lang zal bijblijven, is het moment, dat de goederentrein stilstond op het station Haarlem en dat opeens het Nonnenkoor uit Casanavo (een geliefd lied in die tijd) door al die mannen, opgesloten in goederenwagons zonder enige voorzieningen, werd gezongen. Zoals dat klonk onder die stationsoverkapping! Nu nog de rillingen over mijn lijf”.

 

Een van de anderen die vanuit het belastingkantoor wordt afgevoerd schreef daarover in zijn dagboek:

 

"Wij liepen, aan weerszijden geëscorteerd door soldaten, de Heemraadssingel af, de Graaf Florisstraat door, langs de tunnel Beukelsdijk naar het station D.P. Het was schemerdonker in de stad; op de singel onder de bomen, die hun laatste bladeren nog niet verloren hadden was de weg bijna niet te onderscheiden. We bleven zo goed als het ging in rijverband, schouder aan schouder; onder het licht van de afgeschermde verkeerslantaarns konden we elkaar telkens weer herkennen. Er waren nogal eens opstoppingen in de stoet, doordat we de afstand tot onze voorgangers niet konden bepalen, maar we bleven in beweging en onze bewakers hadden daar vrede mee. Het was doodstil; het was of een stoet van geesten rondging, alleen onze stappen waren hoorbaar. Het zal tegen middernacht geweest zijn, hier en daar was een raam verlicht door de verduistering heen. Ergens in het donker riep een vrouwenstem ons een naam toe, waarop geen antwoord kwam".[52]

 

 

12. Het bombardement op de SD

 

Een vertegenwoordiger van de Nederlandse regering stemt in met het door de LKP gevraagde bombardement op het SD-kantoor mits het een precisieaanval wordt. De aanval wordt uitgevoerd onder leiding van de specialist voor precisie-aanvallen Dennys Gillam, een nog geen 29 jaar oude kolonel. Gillam is een gerenommeerde ace, wiens spectaculaire successen hem de bijnaam Kill'em Gillam hebben bezorgd. De aanval wordt uitgevoerd met Typhoons, éénmans jachtbommenwerpers, in staat tot een steile duik om dan vrijwel op dakhoogte te opereren. Daarbij kunnen zij elk 8 raketten of twee bommen gooien van 500 of 1000-lbs.

 

Op 29 november 1944 rond 11 uur stijgen vier squadrons (van 6 tot 8 toestellen) op van het vliegveld Deurne bij Antwerpen. Drie squadrons zullen op enige afstand van het eigenlijke doel afleidingsaanvallen doen om op een bepaalde hoogte de aandacht van de luchtafweer te trekken.

Rond half twaalf komt Rotterdam in zicht. Gillam leidt dit keer de afleidingsmanoeuvres. Het nr. 193 squadron maakt een snelle duik en raast in vier paren van twee met een snelheid van 400 mijl per uur op dakhoogte naar de Heemraadssingel. Het voorste paar Tyfoons markeert het doel met de rook en inslag van hun fosforraketten. De zes Typhoons die daarachter volgen gooien elk hun duizendpondsbommen af. Dan komen de Typhoons van één van de afleidingsaanvallen nog na; ook zij laten nog enkele bommen vallen en schieten met hun boordkanonnen op het gebouw. Omdat de bommen zo laag worden afgeworpen, hebben zij een tijdmechanisme; anders zou hun explosie de eigen vliegtuigen kunnen vernielen. Helaas, maar weinig van deze delay-bombs ontploffen. Eén toestel dat foto's zou maken, wordt geraakt en moet een noodlanding op Gilze-Rijen uitvoeren.

Gillam kreeg veel publiciteit. De Daily Mail schreef: 'Hij cirkelde erboven als een verkeersagent. Het gebouw werd verwijderd alsof een tandarts een extractie verrichte.' Helaas; van een extractie is geen sprake. Heemraadssingel 226 is niet geraakt; wel is het door de inslagen in de omgeving ‘durchgeblasen’ zoals de geschiedschrijver van de Rotterdamse Luchtbeschermingsdienst in zijn typescript noteert. Hij vermeldt bij de burgerij 64 doden. De gemeentepolitie registreert 45 doden en 13 zwaar gewonden bij bominslagen en in vernielde woningen aan Heemraadssingel, Aelbrechtsplein, Robert Fruinstraat en Oranjeboomstraat.[53] Door de omvangrijke luchtdrukschade kunnen 11 verzetsmensen uit het gebouw ontsnappen. In Londen weet men dat de aanval geen succes is geweest. De SD brengt haar archieven in veiligheid en verplaatste de Dienststelle per 15 december naar het schuin aan de overkant gelegen Heemraadssingel 219.

 

H.B.Laurens nam de aanval van dichtbij waar en schreef daarover het volgende: "Het geloei van de motoren zwol aan tot een oorverdovend lawaai. Daar doorheen hoorden we het gejank van de vallende bommen, heel even maar, dan een serie daverende klappen. Het huis schudde en de ruiten rinkelden, maar ze vlogen er niet uit. Hoe vreemd het ook klinkt, op het cruciale ogenblik schrokken wij niet; het ging allemaal te vlug. De hele aanval duurde misschien minder dan een minuut. Pas daarna kwamen de schrik en de angst. De raid was nog niet afgelopen. De Jachtbommenwerpers kwamen terug voor een nieuwe ronde. Ondanks het tumult liep ik naar de buitendeur en keek door de ruiten naar buiten. De machines raasden laag over de huizen. (…) Ze schoten hevig met hun boordkanonnen en machinegeweren, ze trokken op en kwamen weer terug. Ook deze aanval duurde erg kort. Natuurlijk ga ik kijken. De bommen moeten in de buurt van de Heemraadssingel zijn neergekomen. Meer mensen liepen dezelfde kant op. Iedereen vroeg aan iedereen wat er precies was gebeurd, maar niemand scheen het te weten. Bij de brug over de singel was het een chaos. Er waren bommen gevallen op de Heemraadssingel, de Mathenesserlaan en in de Robert Fruinstraat. Op de Mathenesserlaan had een voltreffer een Nederlands politiebureau verwoest; alle agenten waren op slag dood[54]. Op dezelfde laan waren verscheidene huizen getroffen. Het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst, pal naast het gemeentearchief, scheen het doelwit te zijn geweest, maar het gebouw was slechts beschadigd. De boom rechts tegenover de ingang was door een bom ontworteld. Een grote trechter bevond zich naast de neergestorte stam. De gevel was pokdalig door de gaten die de scherven en de beschietingen hadden veroorzaakt. Slachtoffers kon ik, omdat ik te ver weg stond, niet onderscheiden. Duitsers liepen zenuwachtig heen en weer en ze schreeuwde daarbij, zoals gewoonlijk, zeer hard. Er kwam een auto van de Grüne Polizei aanrijden. Op de spatborden naast de motorkap zaten twee 'groenen' met machinepistolen. Eén van hen schoot in de lucht en liet vervolgens de loop van zijn geweer zakken in de richting van de toegestroomde wijkbewoners. De andere deed hetzelfde. De mensen gingen er als hazen vandoor, omdat ze wisten wat er zou gebeuren als ze bleven staan. (…) Bij deze aanval verloren 64 Nederlanders het leven, onder wie een vriendin van mijn moeder. Ze liep net langs het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei toen het bombardement begon. Ze schuilde in de portiek. De bom die de boom ontwortelde doodde ook haar. Op het lichaam waren geen verwondingen te zien; het kwam door de luchtdruk".[55]

 

 

13. Een overval op de SD

 

Teneinde een aantal verzetsstrijders te bevrijden en de SD-archieven alsnog te vernietigen beraamt de LKP op donderdag 21 december 1944 een overval op het SD-pand aan de Heemraadssingel 219. Die avond zal vrijwel het voltallige personeel van de SD (ca. 60 man) het joelfeest vieren in het Kasino aan de Heemraadssingel 157. Op de Aussenstelle, nr. 219, zou dan nog slechts zes man bewaking aanwezig zijn. Maar liefst 75 LKP-ers worden bij de actie ingezet. Een kopgroep van 15 man zal de Aussenstelle binnenvallen, de bewaking overmeesteren en op een hoger gelegen verdieping de gevangenen bevrijden. Tegenover de Aussenstelle, in de bosjes langs de singel, zal een dekkingsploeg van 30 man liggen. Nog eens 30 man worden ingezet om het Kasino en het nabijgelegen pand van de Ordnungspolizei van verschillende kanten af te schermen, teneinde eventuele hulp aan '219' tegen te houden. Om het pand binnen te komen wil de LKP gebruik maken van het feit dat iemand er die avond vanuit het Kasino oliebollen zal bezorgen. Zodra de deur voor hem wordt geopend, zullen de LKP.'ers naar binnen dringen. Om kwart over zeven die avond werd de actie ingezet. De oliebollenbezorger belt aan en de deur gaat half open. De man staat angstig te aarzelen en wordt door LKP'ers opzij geduwd; deze dringen de hal binnen. Eén van de bewakers wil zich verweren en wordt neergeschoten. Daarbij valt een luid pistoolschot. Door een misverstand wordt dit schot door de dekkingsploeg opgevat als het alarmsignaal. Deze ploeg opent vervolgens in het donker wild het vuur op de Aussenstelle. De LKP'ers die daar in de hal staan, moeten door het spervuur van de eigen zijde heen uit het pand zien weg te komen, vloekend op de dekkingsploeg, die hun de kogels om de oren jaagt, ja, sommigen schieten zelfs woedend terug. Drie LKP'ers raken door de rondvliegende kogels gewond, zij het niet ernstig. Tenminste één toevallige voorbijganger vindt de dood [56]. In grote verwarring tracht iedereen vervolgens een goed heenkomen te vinden. Van het bevrijden van gevangenen en het vernietigen van archieven is niets terechtgekomen. De overval is volledig mislukt[57].

 

 

14. De hongerwinter

 

Op 17 september 1944 beginnen de geallieerden hun aanval op het Nederlandse grondgebied. Om dat offensief te steunen, roept de Nederlandse regering in Londen op diezelfde dag de spoorwegstaking uit. De bezetter verbiedt als wraak voor de staking het scheepvaartverkeer, zodat West-Nederland ook niet over water met voedsel bevoorraad kan worden. Als gevolg hiervan worden de rantsoenen voortdurend verlaagd. Ook het distributiesysteem werkt niet goed meer: de helft van het beschikbare voedsel wordt via het clandestiene circuit verkregen. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan zwarte handel, maar ook aan contacten met familieleden of kennissen die bij de productie of distributie van voedsel betrokken zijn en aan de hongertochten naar landbouwgebieden.

In december 1944 begint de hongersnood. Ook brandstof om voedsel mee te bereiden en om zich te warmen is nauwelijks nog verkrijgbaar. Geschat kan worden dat er in Rotterdam zo'n 4.500 mensen sterven van honger en kou. Opvallend is dat van sociale ongelijkheid voor de dood nauwelijks sprake is. De arbeidersklasse weet minstens zo goed raad met de scharreleconomie als de beter gesitueerden. De hongerwinter sloeg aan de Heemraadssingel daarom net zo hard toe als elders. Alles wat maar eetbaar is moet er aan geloven, suikerbieten, tulpenbollen (voor de betere standen) en ook de waterhoentjes uit de singel. Hout was nergens meer veilig. Op grote schaal worden bomen gerooid en worden brugleuningen en bankjes gesloopt[58]

 

Jan Vink (toen 15 jaar)[59]: “Op 24 januari 1945 verhuisden we naar de Heemraadssingel 261 (hoek Mathenesserlaan), dat eerder door de Kriegsmarine was verlaten. De verhuizing was eerst begin december voorzien, maar moest worden uitgesteld omdat door het bombardement op het SD-kantoor alle ruiten kapot gingen en deuren en plafonds werden ontzet. Mijn vader was conciërge voor de tabaksgroothandels Koch & Co en A.L. van Beek die naar dat pand verplaatst werden. De handel in tabak lag praktisch stil, maar er werd nog een voorraadje beheerd, dat in de haven lag opgeslagen. Hoewel mijn vader daar nooit over sprak, neem ik aan dat hiermee wel werd geruild tegen voedsel. Mijn zuster Trees werkte bij een grote bakkerij en kreeg daar regelmatig extra brood mee. Toen de scholen na de Kerstvakantie niet meer open gingen, werd ik zelf hulpje bij een bakkerskar, wat ook extra brood opleverde, behalve die keer dat de kar razendsnel door een dozijn huisvrouwen werd leeggehaald. Een tante was dienstbode aan de Spoorsingel en schilde daar de aardappels extra ruim. Die aardappelschillen werden door ons gekookt en gegeten. Om het rantsoen aan te vullen heb ik nog met een schepnetje stekelbaarsjes in de singel gevangen. Om de grondsmaak kwijt te raken deed ik ze eerst bij ons in de badkuip. Vanwege de vele stekels en graten bleken ze echter niet te eten. Op een gegeven moment was onze kat verdwenen. Ik ben ervan overtuigd dat deze door omwonenden is opgegeten. Eenmaal ben ik met een handkar bij de boeren rond Bergschenhoek om eten gaan vragen. Dat leverde toen wat suikerbieten op. Het eten werd gekookt op een noodkacheltje. Bij de verhuizing had mijn vader uit het vroegere bedrijfspand een lading cokes meegesmokkeld. Later hebben we rollen linoleum verstookt in het kacheltje. Dat gaf zoveel stank en rook dat we dit buiten op het platje deden.

De paden langs de singel waren aangelegd met behulp van sintels, de as van de toen algemeen gebruikte kolenkachels. Mensen gingen hier op zoek naar onverbrande restjes steenkool. Zo ontstonden diepe kuilen langs de singel waarin mensen met grote zeven de sintels aan het zeven waren[60]. Van de houten brug over de singel bij de Schietbaanlaan verdwenen de uit takken vervaardigde brugleuningen. De bomen langs de singel zijn de jacht naar brandhout echter ontkomen.

Door de voortdurende honger was je eigenlijk de hele dag bezig met het verkrijgen van voedsel en had je verder nergens aandacht meer voor. Van de centrale gaarkeukens hebben we echter nooit gebruik hoeven te maken. Het was een geweldig moment toen de geallieerde voedseldroppings plaatsvonden. Ik heb nog met een Nederlandse vlag op het dak staan zwaaien. De vliegtuigen kwamen zo laag over dat je de piloten kon zien zitten. Van het uitgeworpen voedsel hebben we echter nooit wat gehad, wel van het eten dat later per schip is aangevoerd.”

 

In een van de noodwinkels op het Heemraadsplein (Heemraadssingel 263) bevond zich één van de meer dan 100 uitdeelposten van de Centrale Keukens[61]. Deze gaarkeukens bestonden al sinds het begin van de oorlog maar pas tijdens de hongerwinter spelen ze een belangrijke rol in de voedselvoorziening. Aan ingeschreven personen wordt tegen betaalbare prijzen (en distributiebonnen) dagelijks warme maaltijden verstrekt. In Rotterdam verdeelt men tijdens de hongerwinter tot 250.000 maaltijden per dag, die overigens steeds kariger worden.

 

 

15. Illegale stencilpost

 

In april 1945 wordt aan Heemraadssingel 329 b een stencilpost van het illegale blad Trouw gevestigd. Hier wordt de landelijke editie van dit blad in een oplage van (uiteindelijk) 15.000 exemplaren geproduceerd, met een leesbereik dat uiteraard vele malen groter is. Na Dolle Dinsdag wordt daarnaast in samenwerking met vijf andere illegale bladen onder de naam 'De Vrije Pers' driemaal per week een nieuwsbulletin uitgebracht met een gezamenlijke oplage van 55.000 exemplaren. De zuidelijke Maasoever kent een eigen Trouw-groep, omdat de rivier bij de verspreiding een onoverkomelijk obstakel blijkt.

Er is een kleine kerngroep die zich bezighoudt met nieuwsgaring, redactie, druk- en stencilwerk, bijeenbrengen van benodigde voorraden en distributie naar de verspreiders. De krant wordt voor het grootste deel door koeriersters verspreid. In het totaal zijn er tientallen mensen bij betrokken. Bij al dit werk moet de grootste geheimhouding worden betracht. Het is wel tien keer voorgekomen dat een stencilpost ijlings moest worden verlaten en de gehele inventaris per handkar of bakfiets naar een veiliger adres moest worden verhuisd. Aan de Heemraadssingel worden de bulletins over de geallieerde voedseldroppings, de dood van Hitler en de Duitse capitulatie vermenigvuldigd op een stencilmachine die nu nog te bezichtigen is in het Oorlogs en Verzets Museum Rotterdam[62].

 

 

16. De bevrijding

 

Met ingang van 8.00 uur op 5 mei 1945 kondigt het Duitse leger een wapenstilstand af, die een dag later wordt gevolgd door een onvoorwaardelijke overgave. Het Eerste Canadese Legerkorps kan echter pas op 8 mei westelijk Nederland binnentrekken. Tot op het laatste moment patrouilleren Duitse militairen en politie door de straten om de orde te bewaren. In de loop van de middag trekken Canadese colonnes Rotterdam binnen waar zij door een uitbundige bevolking worden verwelkomd. De Binnenlandse Strijdkrachten maken hiervan een live-radiorapportage. Er wordt ondermeer uitgezonden vanuit het voormalige SD-hoofdkwartier aan de Heemraadssingel (MP3-geluidsfragment), waar een interview wordt gehouden met twee bekende Rotterdamse voetballers die juist met de geallieerde troepen van tewerkstelling in Duitsland zijn teruggekeerd[63].

 

Tot laat in de avond heerst er een dolzinnige vreugde. Aan deze euforie wordt nog bijgedragen door het kaalknippen van moffenmeiden. B.H. Laurens meent: "Wat snel opviel, was dat het kaalknippen beperkt bleef tot de volksbuurten. Moffenhoeren van de Mathenesserlaan en de Heemraadssingel, de dure straten van Rotterdam-west, bleven buiten schot. Dat bereikten die meiden door razendsnel een Canadese officier aan de haak te slaan."[64]

 

Jan Vink is getuige van dit kaalscheren: "Er was een oploopje op straat. Toen ik er naar toeliep bleek dat er voor Heemraadssingel 323 een zogenaamde moffenmeid in een hoekje werd gedreven en met een tondeuse kaalgeknipt. Ik kon hier geen waardering voor opbrengen".

 

Na enkele schietincidenten verbiedt de Canadese commandant op 8 mei in de loop van de ochtend het dragen van wapens door de in de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) verenigde verzetsgroepen. Na ernstige protesten van de zijde van de BS wordt dit verbod in de loop van de middag weer ongedaan gemaakt. Zo kan een gemotoriseerde eenheid van de BS (onderdeel van de 'Vliegende Colonne') die middag gewapend op de Heemraadssingel voor de fotograaf poseren. Maar het inrekenen van de Duitsers en in het bijzonder van leden van de SD en de SS, waarnaar door de verzetsstrijders zo lang is uitgezien, blijft voorbehouden aan de Canadezen.[65]

 

De Canadezen richten op verschillende plaatsen in de stad kampementen in: op Heemraadssingel en Heemraadsplein, in het Park en in het Park Rozenburg. In de omgeving van de Heemraadssingel arriveren op 8 mei rond zes uur honderden legervoertuigen[66].

B.H. Laurens schrijft hierover: "De Heemraadssingel werd van de Vierambachtstraat tot Mathenesserlaan afgezet. De manschappen zetten hun tentjes op naast jeeps, trucks of carriers. Speciale kooktoestellen, benzinevergassers met een pomp om de zaak onder druk te brengen, plaatsten ze in het gras. Uit hun voertuigen haalden ze levensmiddelen in blik, zoals meat en vegetables en Irisch stew, die ze in hun etensblikken opwarmden. Ik zag een Canadees een geïmproviseerd komfoor gebruiken, dat hij had gemaakt van een leeg conservenblik. De bovenrand had hij ingeknipt en de aldus ontstane lipjes om de ander naar buiten gebogen. Het blik was gevuld met zand. Hierover goot hij benzine. Het zaakje brandt als een lier. Even later zat de man vergenoegd in zijn pruttelende 'mess-tin' te roeren. Ik mocht kijken, maar ik kreeg niets. Een temptatie, want het spul rook zo lekker.

Door het hele kamp legden pioniers elektrische verlichting aan. Een grote overdekte vrachtauto, de aggregaattruck, begon te grommen en overal flikkerden lichtjes aan. Een wonder, die knapen maakten zelf stroom! De benzine vonden we een gekke kleur hebben, lichtrood in plaats van wit. Bij de Mathenesserlaan stond een verbindingsauto, een grote gesloten zestonner met antennes die overal uit het dak staken. Uit het inwendige van de wagen klonken verwarde geluiden door de half openstaande deur kon ik soldaten zien zitten met een koptelefoon op en ze praatten in en microfoon die ze in de hand hielden. (...) Veel vrouwen wierpen zich letterlijk in de armen van de bevrijders, die zich dit buitenkansje niet lieten ontgaan. Die jongens hadden de tijd van hun leven en er was keus te over. 's Avonds waren de tentjes druk bezet en als het licht uitging, wist je hoe laat het was."[67]

 

De toen vijfjarige Peter Blanker: “Ik ga met mijn vriendjes naar het Heemraadsplein. Daar hebben de Canadezen een hele stad gebouwd van grote en kleine tenten en in die grote tenten mag je gewoon naar binnenlopen. De soldaten zijn heel aardig en nemen de kinderen ook op de schouders. In een tent zitten een paar soldaten te kaarten. Ze drinken bier en ze knabbelen het een of ander. Als ik binnen kom en aan hun tafel sta stopt een soldaat mij iets in m’n hand. Het zijn een heel stel wittige balletjes. Ik heb een hand vol ovale knikkertjes soms ook doorgebroken. Ze zijn vettig en er zit zout aan. De soldaat wijst naar m’n mond, stopt dan ook zelf wat van die balletjes in zijn mond. Ik doe hem aarzelend na, ik begin te kauwen en ik proef voor het eerst pinda’s. Ik weet niet wat me overkomt en wat er precies gebeurt, maar terwijl ik de smaaksensatie sta te verwerken en bedachtzaam m’n lippen aflik en uit het blik op tafel een tweede handje nootjes pak, schateren de mannen het uit. Een van de mannen staat op en pakt uit een kist een groot blik, glanzend en goudgeel beschilderd met Engelse woorden.  Hij haalt zijn hand door mijn haar en stopt het hele blik in mijn handen.  Foor the femelie zegt ie.”.[68]

 

Jan Vink: Fotograaf Kramer belde bij ons aan om vanuit de woning een foto van het kampement te mogen maken. Om de voorgrond te vullen vroeg hij ons gezin om op het balkon plaats te nemen. Dit heeft een mooie foto opgeleverd. Het kampement is meer dan een maand blijven bestaan en trok veel vrouwen van allerlei slag aan. Ik ben ook onmiddellijk naar de Canadezen gegaan om eten en sigaretten te bietsen. Overal werden feestjes georganiseerd. Het ging daarbij eigenlijk vooral om muziek, dansen en zingen. Ook voor ons huis (Heemraadssingel 261) heeft een bandje gespeeld. Met enkele vriendjes ben ik door de openstaande deur het verlaten NSB-kantoor binnengegaan waar ik een aantal boekwerkjes heb meegenomen die nu bij het Oorlogs- en Verzetsmuseum liggen.

 

Hans Catz, die op de vlucht voor de jodenvervolging na vele omzwervingen uiteindelijk dienst had genomen in het geallieerde leger: “Ik was een van de allereerste geallieerden die Rotterdam binnenreed. Ik heb zelfs nog een paar handtekeningen uitgedeeld. Een beetje gek, 'Hans Catz', niet zo erg interessant. Mijn motorrijder moest naar het Parkhotel en ik loodste hem door Rotterdam. (…)  We reden over de Kruiskade tot aan de hoek met de Westersingel. (…) Op die hoek werd ik afgezet. (…) Ik hoefde nog maar een klein eindje te lopen, even rechtdoor naar de Heemraadssingel. Tante Ro en oom Daan woonden op nummer 132, op de hoek met de Middellandstraat. Ik stapte van de motorfiets en bij reed door. Ik moest oversteken naar de andere kant van de straat, even wachten, en komt een fietser aan. Dat was Daan.'Daan! ''Hé Hans, dag Hans! (…)

Het was wel heel onwezenlijk, daar weer terug te zijn in Rotterdam. Ik liep nog rond in battle-dress, had zelfs nog een revolver bij me die ik nog van die Duitse krijgsgevangenen had afgenomen. 'Ik vind dat zo éng', zei Rootje. Op een dag heeft ze hem stiekem in de Heemraadssingel gegooid.

Ik ging kijken in ons oude huis, Heemraadssingel 131. Ik heb wat rondgelopen, rondgekeken. Een wonderlijk gevoel, krankzinnig gek. Het was helemaal uitgewoond, maar onze wasbakken en onze kasten waren er gewoon nog. Al ons huisraad en kleren hadden we meegenomen toen we in Noordwijk waren gaan wonen. Er stond wel nog een gedeelte van ons oude meubilair, wat stoelen en staande lampen en een vleugel. Sommige joodse huizen, ook ons huis, waren aan het begin van de oorlog door de Duitsers geconfiskeerd en na de bevrijding waren er Engelsen in getrokken. Ik vertelde hen dat ik de vleugel zou laten ophalen, maar toen ik de volgende dag terug kwam was de vleugel weg. Die Engelsen dachten: 'ach, die mensen die hun spullen komen halen, wat zou het, die spullen zijn nu gewoon van ons.' (…) In de gebouwen van de kunstacademie hadden de Engelsen hun hoofdkwartier en daar hadden ze de vleugel heengebracht. Er werden wat jazzliedjes op gespeeld. Later hebben ze hem toch weer teruggegeven.[69] 

 

Op zondag 10 juni paraderen 5000 Canadese militairen over het traject Kruiskade, Middellandstraat en Vierambachtstraat. Vanaf een podium op de Heemraadssingel neemt de commandant de parade af in gezelschap van de burgemeester. De voor deze gelegenheid extra opgepoetste gevechtswagens van alle typen, evenals geschut van verschillende afmetingen, maakten een sterke indruk op het publiek. Maar de meeste belangstelling trok zeker wel een Schots regiment met zijn doedelzakspelers in nationale kleding.[70]

 

De Trouw-groep gaat onmiddellijk over tot het drukken van het eerste legale nummer van Trouw dat op 9 mei verschijnt. De krant wordt gedrukt op de rotatiepersen van de Nieuwe Rotterdamse Courant aan de Witte de Withstraat. Deze krant is wegens collaboratie met de Duitsers bij de bevrijding onmiddellijk een verschijningsverbod opgelegd. Het - in de kop vermelde - redactieadres blijft nog enige tijd Heemraadssingel 329 b.

 

 

17. De nasleep

 

Om de joden die na de oorlog terugkeren naar Rotterdam tijdelijk te huisvesten wordt het Joods Tehuis tot stand gebracht aan de Heemraadssingel 115 (van 1950 t/m 1972 is dit, uitgebreid met Heemraadssingel 113 en 117,  het ‘Joods Tehuis voor Oude Lieden’.). De wijze waarop de joden in Nederland werden ontvangen hield niet bepaald over. De heer R.A.H. van Hertzfeld: “Toen mijn ouders en ik half  juni 1945 vanuit het kamp Theresienstadt terugkeerden naar Rotterdam kwamen wij in het Joods Tehuis terecht. Mijn ouders kregen daar een zeer klein kamertje van 10 m2 meter of iets dergelijks. Op een gegeven moment  konden wij toen de woning Heemraadssingel 217b huren en latere kopen. Daar woonde voor de oorlog een oud-oom van mijn vader, de heer Bosman. Hij overleed in het begin van de bezetting,  zijn vrouw werd gedeporteerd en kwam daarna om. Het huis is toen in handen gekomen van een NSB-er, die dit na de oorlog dus weer  heeft moeten afstaan.” [71]

 

Hans Catz: “Er waren nogal wat problemen die vlak na de oorlog leidden tot vrij algemeen voorkomende antisemitische gevoelens. Want wat gebeurde er? Er waren joodse huizen geweest en die huizen waren door de Duitsers in beslag genomen of voor een schijntje gekocht. Als je als jood niet inging op dat bod, werd je gewoon of gepakt en kreeg je helemaal niets. Of de Duitsers 'beheerden' die joodse huizen die ze vervolgens namens de joodse eigenaren verkochten. Mensen kochten dan, gewoon via een makelaar, zo'n huis (…) Kwamen ineens die joden na de oorlog terug en zeiden: dat is mijn huis. Wie weet was dat huis in middels al tien keer in andere handen overgegaan. En dan kom er ineens een man binnenzetten die zegt dat hij Cohen heet er dat het zijn huis is.” [72] 

 

Aan de Heemraadssingel 163 is tot 1950 de Stichting Eigenaren Joods Onroerend Goed (EJOG) gevestigd. Deze stichting verleent joodse eigenaren steun die in het kader van het naoorlogse rechtsherstel via procedures proberen hun bezittingen terug te krijgen.

 

Het voormalige hoofdkwartier van de SD aan de Heemraadssingel 226 wordt na de bevrijding hersteld en blijft nog tientallen jaren in gebruik als kantoor. De kogel- en scherfgaten, die zowel de voor- als achtergevel ontsierden, worden met cement dichtgepleisterd. Meer dan twintig jaar blijven de herinneringen aan die 29e november 1944 duidelijk zichtbaar. Het pand wordt gesloopt in 1969, waarna de OGEM op die plaats een nieuw kantoorgebouw laat neerzetten[73].

Verschillende de SD-ers die aan de Heemraadssingel werkten krijgen lange gevangenisstraffen. De verrader Anton van der Waals wordt op 7 mei 1948 ter dood veroordeeld en op 26 januari 1950 gefusilleerd.

 

De mislukte luchtaanval op het SD-kantoor krijgt nog een bijzonder vervolg. Als in 1987 de renovatie en nieuwbouw in de Bellevoystraat een aanvang neemt, waarschuwt een ongeruste bewoner B&W voor de mogelijkheid dat een niet ontplofte vliegtuigbom die bij dit bombardement is afgeworpen door de bouwactiviteiten wel eens zou kunnen ontploffen. Na langdurig speurwerk door de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) wordt achter het pand Bellevoystraat 29 een duizendponder gelokaliseerd op een diepte van tien meter onder de grond. De bom krijgt bekendheid als de 'Bellebom' naar de Bellevoystraat waar hij is gevonden. Rotterdam besluit tot een grote ontruimingsoperatie om ieder risico voor de bevolking dat de bommen bij demontage exploderen uit te sluiten.

Op de dag van de demontage, zondag 27 maart 1988, is een speciale noodverordening van toepassing op het gebied rond de bom. In sector A, met een straal van 300 meter vanaf de bom, moeten bijna 7.000 inwoners voor de duur van een dag worden geëvacueerd. In een gebied daaromheen, tot 600 meter van de bommen, mag zich gedurende de demontage van de bom niemand op straat begeven. Ook de Heemraadssingel behoort vrijwel geheel tot sector B. De ruim 14.000 inwoners van deze 'scherfsector' mogen zich, indien zij thuis blijven, slechts bevinden "in ruimten gelegen aan de zijde van de woning of gebouw, die van het explosief zijn afgewend, dan wel het tussengelegen gedeelte van die woning of dat gebouw, mits dat voldoende bescherming biedt en de toegang tot bepaalde ruimte is gelegen aan de zijde van het gebouw dat van het explosiegevaar is afgewend".

Bij deze ontruiming, de grootste evacuatie tot dan sinds de Watersnoodramp van 1953, worden 2000 ambtenaren ingezet, waaronder 1000 politiemensen. Hoewel burgemeester Peper als hij het sein "veilig" wil geven, per ongeluk opdracht geeft aan de EOD om de bom te 'detoneren' in plaats van te 'demonteren', verloop de operatie zonder problemen[74].

 


Aangehaalde literatuur

 

Amersfoort, dr. H. en drs. P.H. Kamphuis (redactie), Mei 1940; De strijd op Nederlands grondgebied, Den Haag, 1990,

Bakels, F.B., Nacht und Nebel; Mijn verhaal uit Duitse gevangenissen en concentratiekampen, Amsterdam/Brussel, 1983 (1e druk 1977)

Blanker, Peter, Eigen weg: het levenslied van een zondagskind, Shetland Isles, 2014.

Catz, Hans, Het oog van de naald; Een verhaal uit de Tweede Wereldoorlog, Huizen, 1999.

Crisis Onderzoeks Team 'Operatie Bellebom '88: het zekere voor het onzekere, Arnhem, 1989.

Durlacher, G.L., Strepen aan de hemel; Oorlogsherinneringen, Amsterdam

Elfferich, L., Rotterdam werd verraden, Abcoude, 1990

Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam, Gids Tweede Wereldoorlog; verzamelingen in het Gemeentearchief Rotterdam, Rotterdam 1990

Gemeentelijke Technische Dienst, afdeling IV, Woningtoezicht juni 1940, 'Opgave van woningnummers en aantal verwoeste woningen' (GAR)

Heel, Pater Dalmatius van, Het St. Luciagesticht vroeger Rottekade, in 1940 geheel verwoest, thans gevestigd: Heemraadssingel 101-103, z.j, z.p. (GAR)

Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Den Haag/Leiden, 1969-1988 (wetenschappelijke editie)

Kok, A., De verrader; leven en dood van Anton van der Waals, Amsterdam 1995

Korthals Altes, A., Luchtgevaar; Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam, 1984

Korthals Altes, A, Bommen aan de Heemraadssingel, NRC-Handelsblad 19-3-1988

Laurens, B.H., Hun armoede en hun grauwe gezicht; Hongerwinter '44-'45, Rotterdam, 1985

Laurens, Ben, Rotterdam geblaakte stad, Rotterdam 1995

Mallan, K. Als de dag van gisteren; Rotterdam 10-14 mei 1940, Weesp, 1985

Oosthoek, A., De knokploeg Rotterdam-Zuid 1944-1945, Rotterdam, 1990

Overwater, A.M., De Rotterdamse gevallenen van het verzet 1940-1945, Barendrecht, 1997[75]

Pauw, J.L. van der, Guerrilla in Rotterdam; De paramilitaire verzetsgroepen 1940-1945, Den Haag, 1995

Radio Rijnmond presenteert: Rotterdam Bevrijd!; Herinneringen aan mei 1945, MCA Records, Holland, 1995 (CD).

Schouten, T, Boy; Een Antilliaanse jongen in het Nederlands verzet, Oranjestad/Den Haag, 1985

Sørensen, Ronald, Een gehate minderheid; NSB’ers in Rotterdam, Rotterdam, z.j.

Sijes, B.A., De razzia van Rotterdam; 10-11 november 1944, Amsterdam, 1988

Troost, P., Noodwinkels in bezet Rotterdam, Rotterdam, 1996.

Trienekens, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945; Misleiding mythe en werkelijkheid, Utrecht/Antwerpen, 1995.

Trouw en De Vrije Pers in bezet Rotterdam 1944-1945; Het werk en de lotgevallen van de Trouw-groep Rotterdam, Kampen

Visser, F., De zaak Antonius van der Waals, Den Haag

Vries, G.J.P. de, Achter de schermen; de ondergrondsche strijdt voor onze bevrijding, z.p. 1985 (1e druk 1945)

Wehrmeijer, F., Rotterdam in oorlog en vrede, 1995

Zonneveld, F.J. van, Rotterdam 1940 1945; Tram- en autobusdienst tijdens de bezettingsjaren, Rotterdam, 1995

 

Illustraties:

- schuilloopgraaf, Frits Wehrmeijer, Rotterdam in oorlog en vrede, 1995, foto C. Baksteen

- tijdbom bij SD-gebouw, J.L. van der Pauw p. 36, Foto Geljon, Capelle aan den IJssel, collectie GAR

- het getroffen SD-gebouw. J.L. van dr Pauw p. 30, Foto Geljon, Capelle aan den IJssel, collectie GAR

- idem interieur met bloed op de muur J.L. van der Pauw p. 36, Foto uit collectie van de auteur

- Canadezen in tentjes in: Rotterdam in de roes der bevrijding p. 53

- Canadezen op de singel, Rotterdam van dag tot dag, afl 3, foto GAR/C. Kramer

- De vliegende colonne van de BS op 8-5-45 aan de Heemraadssingel, Rotterdam van dag tot dag afl 3, foto GAR/C. Kramer

 



[1] Zie: "Mei 1940; De strijd op Nederlands grondgebied", onder redactie van dr. H. Amersfoort en drs. P.H. Kamphuis, Den Haag, 1990, p. 263 e.v.

[2] Ben Laurens, 1995, p. 31

[3] Rotterdamsch Nieuwdsblad 13-10-1938, De stad in oorlogsnacht.

[4] H. de Goede, brief van 18-5-1944, GAR verzameling WOII, inventarisnr. 1429

[5] Bron: telefoongesprek en correspondentie van de auteur met dhr C. de Jong in november 2000

[6] Gemeentelijke Technische Dienst, afdeling IV, Woningtoezicht juni 1940, 'Opgave van woningnummers en aantal verwoeste woningen' (Gemeente-archief Rotterdam). Ook Schietbaanlaan 91 staat hier als verwoest aangegeven, maar dit pand bestaat nog.

[7] B. de Jong, Het Vrije Volk, 10 mei 1980.

[8] Overgenomen uit: Rotterdam 1940-1945; Tram en autobusdienst tijdens de bezettingsjaren, F.J. van Zonneveld Rotterdam 1995 p. 55 en 56

[9] H. de Goede, brief van 18-5-1944, GAR verzameling WOII, inventarisnr. 1429

[10] K. Mallan p. 157

[11] 175 jaar Nijgh & Van Ditmar, 2012

[12] Op de kaart met catalogusnummer I 210.01 zijn 4 bommen bij het Heemraadsplein ingetekend. Zie de afbeelding hiervan in GAR, Gids Tweede Wereldoorlog, p.228

[13] Elfferich p.281

[14] Ben Laurens, 1995, p. 84

[15] Zie "Rotterdam werd verraden", Loek Elfferich, Abcoude, 19.., hoofdstuk 2.

[16] Ben Laurens, 1995, p. 66

[17] Ben Laurens, 1995, p. 70

[18] Zie: "Luchtgevaar; Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, A. Korthals Altes, Amsterdam, 1984, p. 91

[19] Durlacher p. 32-33

[20] Korthals Alter p. 69

[21] Rotterdams Nieuwsblad, 5-9-1941, "Bommen op Rotterdam; Dertien doden, 49 zwaar gewonden en 36 licht gewonden".

[22] "20 januari 1942. Uit Rotterdam zijn ongveer 50.000 mensen vertrokken wegens de vele bombardementen, voor een groot deel zijn dit gegoede burgers." (H. Mees: Mijn oorlogsdagboek, p. 212

[23] P. Troost, p. 6

[24] Ben Laurens, 1995, p. 148-150

[25] GAR verzameling WOII, inventarisnr. 26

[26] Bijschrift bij foto Rotterdams Nieuwsblad/Geleeds catalogus nr gemeentearchief Rotterdam R6218/3

[27] Rotterdamsch Nieuwsblad 4-7-1944: Pleinconcert en 14-7-1944: Meer orde bij pleinconcerten zeer gewenscht!

[28] D. van Heel, p 23

[29] A.M. van Dantzig verschafte op 17-2-2001 telefonisch verschillende inlichtingen

[30] Hans Wischhausen, directeur, NSDAP-lid vanaf 1936, sinds 1940 aan Heemraadssingel 107 gevestigd;

Hans Buchna, Feinmechaniker, al voor 1934 te Rotterdam, Heemraadssingel 290a en sinds 1937 NSDAP-lid;

Eberhard Kusen, directeur bij het Nederlands Havenbedrijf, reeds voor 1934 in Rotterdam, sinds 1934 NSDAP-lid en wonende aan de Heemraadssingel 372, de opticien W. Wever, NSDAP-lid sinds 1935 en woonachtig aan de Heemraadssingel (huisnummer niet bekend). Bron: L Elfferich p. 62 e.v.

[31] De Rotterdammer 30-6-1941; Fotoverslag in Volk en Vaderland 4-7-1941

[32] Rotterdamsch Niewsblad 12-6-1944

[33] J.L. van der Pauw, hoofdstuk 7

[34] F. Bakels, p. 33-34

[35] Hans Catz, p. 17

[36] Ronald Sørensen, p. 41

[37] Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland, www.joodsmonument.nl

 

 

[38] Ontleend aan een telefoongesprek met Hanneke Bruijninckx-Magielsen en aan het artikel “Tien kilo aangekomen? Dan meteen op dieet; Zwangere vrouwen waren in goede handen in kraaminrichting Carmenta” in het RD van 8-2-2003.

[39] deze paragraaf is onteend aan en geciteerd uit A. Kok p. 180-184 en F. Visser hoofdstuk XX

[40] L. de Jong deel 8 p. 215-116

[41] J.L. van der Pauw p. 118

[42] J.L. van der Pauw, p, 36

[43] A.M. Overwater p.81

[44] J.L. van der Pauw p. 176-177

[45] J.L. van der Pauw, p. 226

[46] A.M. Overwater p. 53, 91, 100, 151.

[47] B.H. Laurens, p.16-17. Dergelijke schietpartijen kwamen vaker voor. B.A, Sijes, p. 37.

[48] Gegevens ontleend aan J.L. van der Pauw. p. 237-238 en G.J.P. de Vries, p. 36-37

[49] Ontleend aan J.L. van der Pauw, p. 272-276, T. Schouten, p. 85-89, A. Oosthoek, p. 56, 83-103. Segundo Ecury van de Haagse LKP was, nadat verschillende leden  gearresteerd waren, ondergedoken aan de Mathenesserlaan 352a, terwijl anderen onderdoken in een niet nader aangeduid pand aan de Heemraadssingel. A. Oosthoek p. 55

T. Schouten, p. 86. De betrokken personen maakte deel uit van de 'Haagse ploeg'. Nadat ondermeer leider Chris Cattel was gearresteerd doken de restanten onder aan de Mathenesserlaan 352a en een niet nader aangeduid pand aan de Heemraadssingel. A. Oosthoek p. 55

[50] T. Schouten, p. 87-89

[51] J.L. van der Pauw, p. 260

[52] Sijes, B.A., p. 143

[53] A. Korthals Altes, Bommen aan de Heemraadssingel, NRC-Handelsblad 19-3-1988

[54] Het betreft de Mathenesserlaan 290 waar de afd. Drankenwet van de politie was gevestigd en waar vier politiemensen omkwamen. Zie: De namen van de Rotterdamse politiemannen die vielen in de jaren 1940-1945, bibliotheek GAR, catalogusnr. VI C 16.

[55] B.H. Laurens p. 27-29

[56] G.J.P. de Vries, p. 26

[57] J.L. van der Pauw, p. 263-264

[58] G. Trienekens, p. 69, 73-77, 88, 92, 93, 99

[59] Ontleend aan intervieuw met Jan Vink en Trees Vink door Hans Flier op 12-5-1999.

[60] Zie ook: Kolen zeven aan de Heemraadssingel was direct na de oorlog nog normaal; Dagen na bevrijding was er nog slechts mondjesmaat voedsel voorhanden, De havenloods 2-5-1995.

[61] Rotterdams Nieuwsblad 22-2-1944

[62] Bron: Trouw en de Vrije Pers in bezet Rotterdam Het genoemde museum is gevestigd aan de Veerlaan 82-92 te Rotterdam.

[63] Radio Rijmond, track 15: rapportage vanuit het voormalige hoofdkwartier van de S.D. aan de Heemraadssingel

[64] B.H. Laurens p. 149

[65] J.L. van der Pauw p. 360-362

[66] Trouw, 9 mei p. 1: "De bevrijders in Rotterdam".

[67] B.H. Laurens p. 152-153

[68] Peter Blanker, Eigen weg, 2014, p. 19-20

[69] Hans Catz, p. 204-205

[70] Het Vrije Volk 9 en 11 juni 1945

[71] Gesprek met de auteur, februari 2001

[72] Hans Catz, p. 208

[73] B.H. Laurens p.29.

[74] Gegevens over de Bellebom zijn ontleend aan: Crisis Onderzoeks Team 'Operatie Bellebom '88: het zekere voor het onzekere, Arnhem, 1989.

[75] Overwater was zelf verzetsman. Hij werd tweemaal door de Duitsers gearresteerd, de tweede maal nadat hij een schoolgenoot van de Zeevaartschool op de Heemraadssingel een anti-Duits pamflet gaf waarmee deze werd gepakt (Rotterdams Dagblad 3-5-1997: 'Monumentaal boek over gevallenen in verzet'.)